ECLI:NL:CRVB:2009:BI0984
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering passend werk leidt niet tot verwijtbare werkloosheid en weigering WW-uitkering
Appellant was sinds 1999 in dienst bij de werkgever en viel in oktober 2005 wegens ziekte uit. Na hervatting van zijn werkzaamheden als teamleider casemanagers ontstond een conflict over het overnemen van taken van een vertrokken casemanager. Appellant weigerde deze werkzaamheden uit te voeren, waarna hij op non-actief werd gesteld en de arbeidsovereenkomst werd ontbonden met een vergoeding.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan die aanvankelijk werd toegekend, maar later door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet verwijtbaar werkloos was, omdat hij zich hield aan afspraken na ziekte en actief meewerkte aan oplossingen.
De Raad oordeelde dat de brief van 1 december 2005, waarin appellant werd gevraagd de taken van de vertrokken casemanager over te nemen, niet als een redelijke opdracht kon worden gezien vanwege eerdere afspraken over zijn functiebeperking. Appellant had zich wel ingespannen om oplossingen te vinden. Daarom was er geen sprake van verwijtbare werkloosheid en mocht de WW-uitkering niet worden geweigerd. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het bezwaar van de werkgever ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad oordeelt dat appellant niet verwijtbaar werkloos is geworden en vernietigt de eerdere uitspraak, waardoor de WW-uitkering niet geweigerd mag worden.