ECLI:NL:CRVB:2025:1283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante door het Uwv
In deze zaak gaat het om de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, vastgesteld door het Uwv op 49,54%. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, die het bestreden besluit van het Uwv in stand heeft gelaten. Appellante stelt dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen. De Raad voor de Rechtspraak heeft de zaak behandeld op een zitting op 24 juli 2025, waar appellante werd vertegenwoordigd door haar advocaat, mr. A.L. Kuit, en het Uwv door drs. J.C. van Beek.
De Raad oordeelt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste wijze heeft vastgesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is uitgevoerd en dat de medische belastbaarheid van appellante overtuigend is gemotiveerd. Appellante heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd die twijfel doet rijzen over de beoordeling van haar situatie. De Raad bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van het Uwv. Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen, en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Hierdoor blijft het bestreden besluit in stand, en ontvangt appellante geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.