ECLI:NL:CRVB:2025:1283

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
29 augustus 2025
Zaaknummer
25/193 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante door het Uwv

In deze zaak gaat het om de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, vastgesteld door het Uwv op 49,54%. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, die het bestreden besluit van het Uwv in stand heeft gelaten. Appellante stelt dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen. De Raad voor de Rechtspraak heeft de zaak behandeld op een zitting op 24 juli 2025, waar appellante werd vertegenwoordigd door haar advocaat, mr. A.L. Kuit, en het Uwv door drs. J.C. van Beek.

De Raad oordeelt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid op juiste wijze heeft vastgesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is uitgevoerd en dat de medische belastbaarheid van appellante overtuigend is gemotiveerd. Appellante heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd die twijfel doet rijzen over de beoordeling van haar situatie. De Raad bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van het Uwv. Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen, en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Hierdoor blijft het bestreden besluit in stand, en ontvangt appellante geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2024, 24/5441 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 augustus 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 januari 2019 terecht heeft vastgesteld op 49,54%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage op juiste wijze heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juli 2025. Voor appellante is mr. Kuit verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker Bureau Jeugdzorg voor gemiddeld 35 uur per week. Op 24 januari 2011 heeft zij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 22 januari 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 47,49%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 28 februari 2024 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45 tot 55%.
1.2.
Op 9 maart 2021 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld per 1 januari 2019. Hierna heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 november 2022. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd en haar mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 49,54%. Het Uwv heeft bij besluit van 19 december 2022 de WGA-vervolguitkering van appellante ongewijzigd voortgezet.
1.3.
Bij besluit van 25 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft het onderzoek door de verzekeringsartsen op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
2.1.
Wat appellante in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen reden gegeven om het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische belastbaarheid van appellante op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd. Niet gebleken is dat er per de datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. De rechtbank heeft appellantes stelling dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten die zij heeft en dat zij daardoor niet in staat is om 40 uren per week te werken en om met vervoer naar het werk te gaan, dan ook niet gevolgd.
2.2.
In reactie op een door appellante in beroep overgelegde brief van haar psychiater heeft het Uwv toegelicht dat de gestelde diagnose autismespectrumstoornis (ASS) als zodanig niet zou hebben geleid tot een andere conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de FML zijn beperkingen gesteld die onder andere zien op het contact en het samenwerken met anderen. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de daarop betrekking hebbende klachten onvoldoende heeft meegenomen in haar overwegingen. Bovendien is samenwerken in de geselecteerde functies geen kenmerkende belasting. De rechtbank heeft geen reden gezien om hierover anders te oordelen. Die reden schuilt ook niet in de overige door appellante overgelegde stukken van onder meer de revalidatiearts. Het Uwv heeft erop gewezen dat die stukken dateren van bijna zes jaar na de datum in geding, waarbij een inmiddels gestelde diagnose niets verandert aan de beperkingen die al zijn aangenomen. Bovendien zijn er voor appellante geen behandelingen ingezet, zodat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij eventuele navraag niet anders kan dan teruggrijpen op haar eigen, eerder verrichte onderzoek dat al aan haar medische beoordeling ten grondslag ligt. Evenmin doet zich de situatie voor dat geclaimde beperkingen buiten beschouwing zijn gelaten om de reden dat een diagnose ontbrak. Het Uwv was dan ook onder deze omstandigheden niet gehouden een nader medisch onderzoek te verrichten.
2.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML en gelet op de motiveringen bij de signaleringen in de geduide functies, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting in de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij verbolgen is over het feit dat zij door de verzekeringsarts als simulant is bestempeld. Appellante vindt dat zij ook nadien nooit serieus is genomen. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. De door de behandelend psychiater gestelde diagnose ASS verklaart volgens appellante waarom zij onder andere problemen heeft in het contact en samenwerken met anderen. Ten onrechte is daarnaast geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht om ongeveer 8 uur per dag en gemiddeld 40 uur per week te kunnen werken. Hierbij is geen rekening gehouden met het feit dat appellante dagelijks in de middag moet rusten omdat zij anders niet meer in staat is om haar aandacht vast te houden. Verder kan appellante niet normaal gebruikmaken van vervoer en is zij daardoor niet in staat naar het werk te reizen. Deze beperkingen zijn onvoldoende tot uitdrukking gebracht in de FML. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar in beroep overgelegde informatie van haar revalidatiearts, psychiater en huisarts.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen onder verwijzing naar een nader rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van 49,54% terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
Er zijn geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat de verzekeringsartsen vooringenomen zijn geweest. De primaire verzekeringsarts heeft onder meer geconstateerd dat appellante tijdens en na het spreekuur een vlot bewegingspatroon had. Uit deze en andere observaties blijkt niet dat de verzekeringsarts vooringenomen was. In hun rapporten zijn de verzekeringsartsen uitgebreid ingegaan op appellantes klachten en beperkingen. Zij hebben navolgbaar gemotiveerd in hoeverre de door appellante geclaimde klachten objectiveerbaar hebben geleid tot beperkingen in de FML. Ook overigens bestaat geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest.
4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 9 juli 2025 nog nader toegelicht dat de door appellante in beroep ingebrachte medische informatie geen nieuwe medische inzichten geeft die het stellen van aanvullende beperkingen noodzakelijk maken. Zo passen de aangenomen beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren (ook) goed bij de nu gestelde diagnose ASS. Dit wordt gevolgd. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd die twijfel geeft over de beoordeling van haar medische situatie rond de datum in geding.
4.5.
Appellante is voorts beperkt geacht voor het werken in avond- en nachtdiensten. Voor het daarnaast aannemen van een urenbeperking is terecht geen aanleiding gezien. Dat appellante op advies van een medisch behandelaar ’s middags moet rusten, heeft zij niet onderbouwd. Het blijkt ook niet uit de medische informatie van haar behandelaars en de onderzoeken van de verzekeringsartsen, waaronder het weergegeven dagverhaal.
4.6.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante. De beroepsgrond dat appellante niet in staat is naar het werk te reizen, slaagt niet omdat appellante deze beroepsgrond in het geheel niet heeft onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) C.E.A. Tessemaker