ECLI:NL:CRVB:2026:572
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterecht opgelegde verlaging van Ziektewetuitkering wegens vermeende benadelingshandeling
Appellante was sinds maart 2022 in dienst als ambulant gezinsondersteuner en meldde zich in mei 2022 ziek vanwege burn-out klachten. Haar werkgever accepteerde de ziekmelding niet en sprak op 2 juli 2022 ontslag op staande voet uit. Appellante meldde zich op 4 juli 2022 ziek bij het Uwv en ontving vanaf 6 juli 2022 een Ziektewetuitkering. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, maar dat het dienstverband per 2 juli 2022 was geëindigd.
Het Uwv legde appellante een maatregel op wegens vermeende benadelingshandeling omdat zij haar loonaanspraken tijdens ziekte zou hebben prijsgegeven. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de werkgever gegrond en oordeelde dat appellante een benadelingshandeling had gepleegd door geen verweer te voeren tegen het ontslag en daarmee haar recht op loon prijs te geven.
De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat het dienstverband per 2 juli 2022 is geëindigd en de arbeidsongeschiktheid pas op 4 juli 2022 is ingetreden. Hierdoor is geen sprake van benadeling, omdat appellante haar loonrecht niet heeft prijsgegeven terwijl het ongeschiktheidsrisico al bestond. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de werkgever ongegrond en vernietigt het nieuwe besluit van het Uwv. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat appellante geen benadelingshandeling heeft verricht, waardoor de verlaging van haar ZW-uitkering onterecht is opgelegd.