Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:574

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/1946 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens gewijzigde arbeidsongeschiktheidsbeslissing

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg inzake de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld door het UWV. Tijdens de procedure wijzigde het UWV zijn standpunt en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 80 tot 100%, waarmee het tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant.

Hierdoor trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten die appellant in hoger beroep had gemaakt. De Raad oordeelde dat het UWV reeds de kosten in de bezwaarfase had vergoed en dat nu alleen de in hoger beroep gemaakte kosten vergoed moesten worden.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van € 2.335,- aan proceskosten voor verleende rechtsbijstand en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 138,-. De zaak werd zonder nadere zitting afgedaan omdat partijen geen nadere behandeling wensten.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1946 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 juli 2024, 22/2830 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van de meervoudige kamer van 15 mei 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ouwerkerk-Hoogendonk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.L.J.H. Coenen.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en appellant in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen. Appellant heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en het Uwv heeft op de ingediende stukken gereageerd.
De Raad heeft vragen aan het Uwv gesteld. Het Uwv heeft in reactie hierop te kennen gegeven zijn standpunt te hebben gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant te hebben berekend op 66,82% in plaats van 65,07%. Appellant heeft hierop gereageerd. De Raad heeft vervolgens nadere vragen aan het Uwv gesteld.
Het Uwv heeft op 9 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 80 tot 100%.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een verweerschrift in te dienen over het verzoek om veroordeling in de proceskosten.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 9 januari 2026 aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen. De kosten die appellant in de bezwaarfase heeft gemaakt, zijn al door het Uwv vergoed. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de in beroep gemaakte kosten moet vergoeden. De Raad moet daarom alleen nog oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de reactie op de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 65,07% naar 66,82%, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het in beroep betaalde griffierecht moet vergoeden. In aanvulling daarop dient het Uwv ook het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 2.335,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) S.P.A. Elzer