Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:622

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
25/2163 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Wet WIAArt. 56 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak

Appellant, voormalig keukenmonteur, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Deze uitkering werd per 1 maart 2018 beëindigd omdat zijn arbeidsongeschiktheid onder de 35% was gedaald. In 2021 meldde appellant toegenomen klachten door COPD, maar het UWV weigerde een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen omdat deze beperkingen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkwamen als de eerdere hartklachten.

De rechtbank stelde vast dat de COPD een nieuwe ziekteoorzaak is en dat er geen medische onderbouwing was voor een toename van de hartklachten. Appellant voerde aan dat COPD en hartklachten vaak samen voorkomen, maar kon dit niet met nieuwe medische informatie onderbouwen. De Raad volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat de toegenomen beperkingen niet uit dezelfde oorzaak voortkomen.

De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering. Ook werd geen proceskostenvergoeding toegekend aan appellant. De medische beoordeling was zorgvuldig en er was geen aanleiding tot het raadplegen van een deskundige.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de toegenomen beperkingen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkomen.

Uitspraak

25/2163 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 februari 2023, 22/3263 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellant terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij hem met ingang van 11 maart 2021 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 1 maart 2018 in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Appellant vindt dat sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als keukenmonteur. Op 15 september 2011 heeft hij zich voor dit werk ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellant per 12 september 2013 een WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Appellant heeft in het verleden driemaal een hartinfarct doorgemaakt (2012, 2015 en 2016), waarvoor hij meerdere malen gedotterd is. De WIA-uitkering is per 1 maart 2018 beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is (zie uitspraak van de Raad van 12 mei 2021) [1] .
1.2.
Appellant heeft zich op 21 mei 2021 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten als gevolg van COPD. Een verzekeringsarts heeft, na bestudering van het dossier en een telefonisch spreekuurcontact met appellant, informatie ingewonnen bij de behandelend cardioloog. De verzekeringsarts heeft in een rapport van 23 mei 2022 op basis van het dossier en de ontvangen informatie geconcludeerd dat de klachten die voortkomen uit COPD een andere ziekteoorzaak betreffen dan voorheen. Op grond hiervan heeft het Uwv bij besluit van 24 mei 2022 geweigerd appellant met ingang van 11 maart 2021 een WIAuitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 1 maart 2018.
1.3.
Bij besluit van 16 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant een melding heeft gedaan van toegenomen beperkingen in verband met opgetreden verslechtering van zijn gezondheidstoestand wegens COPD en chronische bronchitis. Appellant had eerder recht op een WGA-uitkering in verband met hartklachten. Rond de jaarwisseling van 2020-2021 heeft appellant driemaal een longontsteking doorgemaakt. Bij aanvullend onderzoek in het ziekenhuis werd door de behandelend longarts COPD vastgesteld. Appellant heeft het idee dat zijn hartklachten verergerden door zijn longproblemen. Hij heeft dagelijks klachten van pijn op de borst, minder zuurstof en minder energie. De rechtbank heeft overwogen dat de informatie van de behandelend sector en de door appellant naar voren gebrachte klachten alle op een deugdelijke en kenbare wijze zijn betrokken bij de medische beoordeling door het Uwv. De primaire verzekeringsarts heeft de behandelend cardioloog om de medische gegevens gevraagd. Uit deze gegevens is gebleken dat appellant zich niet met de toegenomen klachten bij de cardioloog heeft gemeld. Appellant blijkt na september 2020 niet meer gezien te zijn door de cardioloog. De behandelend longarts, die blijkens diens informatie bekend was met de hartklachten van appellant, heeft in verband met de gezondheidsklachten geen reden gezien om appellant – al dan niet preventief – door of terug te verwijzen naar de cardioloog. De rechtbank heeft voorts overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de verzekeringsartsen relevante aspecten van de medische situatie van appellant hebben gemist. Evenmin zijn er aanknopingspunten om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen. Appellant heeft in beroep geen medische informatie overgelegd die daartoe aanleiding zou kunnen geven. De verzekeringsartsen concluderen – kortgezegd – dat de longklachten een wezenlijk andere medische problematiek betreffen dan de hartklachten. De nieuwe aandoening, COPD, met de daaruit ontstane klachten, komt niet voort uit dezelfde aandoening, hartklachten, als waarvoor appellant in het verleden een WIA-uitkering ontving. Evenmin kon worden vastgesteld dat de hartklachten zijn verergerd. Ook in beroep is er geen medische onderbouwing van de stelling dat deze klachten zouden zijn toegenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom buiten twijfel dat de COPD een nieuwe ziekteoorzaak is.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft daartegen aangevoerd dat niet buiten twijfel is dat de door hem geclaimde toegenomen klachten en beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak afkomstig zijn. Hiertoe heeft appellant verwezen naar een in beroep ingezonden artikel uit het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 17 augustus 2015 met als onderwerp “COPD-patiënt heeft ook vaker hart- en vaatziekten”.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is Pro geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
5.2.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet buiten twijfel staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 57 van Pro de Wet WIA niet van toepassing zijn. Daarbij rust de bewijslast in beginsel op degene die stelt dat er geen causaal verband is. [2] Gelet op deze rechtspraak moet worden beoordeeld of het Uwv erin is geslaagd aan te tonen dat de per 11 maart 2021 toegenomen beperkingen niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak.
Medische beoordeling
5.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die ziet op de COPD- en hartklachten op de datum in geding. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan het oordeel van het Uwv dat per 11 maart 2021 geen sprake is van een toename van de beperkingen van appellant als gevolg van de ziekteoorzaken die bij de beëindiging van de WIA-uitkering per 1 maart 2018 aan de orde waren. De Raad onderschrijft de overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen en voegt daar het volgende aan toe.
COPD-klachten
5.4.
Appellant heeft op 21 mei 2021 melding gemaakt van de longklachten, waarvoor de diagnose COPD is gesteld. Hiervoor is appellant onder behandeling van een longarts en heeft hij medicatie gekregen. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat sprake is van toegenomen beperkingen. Door de longproblematiek zijn beperkingen aannemelijk te achten voor fysiek zwaar werk. Deze longproblematiek speelde echter geen rol bij de beoordeling per 1 maart 2018. De beperkingen door longklachten zijn daarom geen toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Het oordeel dat geen relatie kan worden aangenomen tussen de, zoals uit de informatie blijkt, veel later vastgestelde COPD en de hartklachten kan worden gevolgd. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat geen twijfel bestaat over het oordeel dat de toegenomen beperkingen van appellant voortkomen uit een andere oorzaak dan de beperkingen die werden aangenomen bij de WIA-beoordeling per 1 maart 2018.
5.5.
De stelling van appellant dat het artikel uit het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 17 augustus 2015 aanleiding geeft om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv wordt niet gevolgd. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 14 december 2022 gemotiveerd waarom dit artikel geen aanknopingspunten biedt voor twijfel over de specifieke medische situatie van appellant. In het door appellant ingezonden (gedeeltelijke) artikel wordt gesteld dat analyse van data aantoont dat COPDpatiënten een verhoogd risico hebben op hart- en vaatziekten. Daarbij wordt in het artikel ook vastgesteld dat het mechanisme – en zelfs de tijdsrelatie – vooralsnog ongewis blijft. Dat er ook een mogelijke relatie in beide richtingen bestaat, komt in het betreffende artikel helemaal niet aan de orde.
Hartklachten
5.6.
Er is op de datum in geding geen sprake van toename van beperkingen op grond van de hartklachten. Uit de ontvangen info van de cardioloog blijkt dat appellant sinds 2020 niet meer gezien is door de cardioloog. Appellant heeft ter zitting bevestigd dat van een toename van de hartklachten op de datum in geding geen sprake is geweest.
5.7.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een deskundige. Het daartoe gedane verzoek wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.CRvB 12 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1163.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2791.