ECLI:NL:RBDHA:2026:10059
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor tijdelijke woonruimte na afwijzing vergoeding brede ondersteuning buitenland
Verzoekster, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, woont met haar vier kinderen in het buitenland in een onafgewerkte koopwoning die onbewoonbaar is. Na afwijzing van haar aanvraag voor vergoeding van afwerkingskosten en het ongegrond verklaren van haar bezwaar, is zij in beroep gegaan. De beroepsprocedure werd geschorst voor overleg, maar partijen bereikten geen overeenstemming.
Verzoekster vroeg vervolgens een voorlopige voorziening om tijdelijk onderdak te verkrijgen. De rechtbank constateerde dat de provisorische verblijfsruimte ongeschikt was en dat de koopwoning aanzienlijke bouwkundige werkzaamheden vereist om bewoonbaar te zijn. De minister had onvoldoende onderzoek gedaan naar de woonsituatie en hield onvoldoende rekening met de belangen van de kinderen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoedeisend belang en materiële samenhang met het bestreden besluit voor zover het ging om tijdelijke woonruimte. Daarom werd het verzoek ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit geschorst. De minister werd opgedragen zich in te spannen voor passende tijdelijke woonruimte en de huur- en servicekosten te vergoeden zolang de beroepsprocedure loopt en tot zes weken na uitspraak.
Daarnaast werd het verzoek voor overige voorzieningen niet-ontvankelijk verklaard. De minister moet de proceskosten en griffierechten aan verzoekster vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.M. de Wit op 23 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank schorst het bestreden besluit en beveelt de minister passende tijdelijke woonruimte te bieden en de kosten te vergoeden.