Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
SGR 26/1071
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet hersteloperatie toeslagen, afdeling 2.4
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor tijdelijke woonruimte na afwijzing vergoeding brede ondersteuning buitenland

Verzoekster, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, woont met haar vier kinderen in het buitenland in een onafgewerkte koopwoning die onbewoonbaar is. Na afwijzing van haar aanvraag voor vergoeding van afwerkingskosten en het ongegrond verklaren van haar bezwaar, is zij in beroep gegaan. De beroepsprocedure werd geschorst voor overleg, maar partijen bereikten geen overeenstemming.

Verzoekster vroeg vervolgens een voorlopige voorziening om tijdelijk onderdak te verkrijgen. De rechtbank constateerde dat de provisorische verblijfsruimte ongeschikt was en dat de koopwoning aanzienlijke bouwkundige werkzaamheden vereist om bewoonbaar te zijn. De minister had onvoldoende onderzoek gedaan naar de woonsituatie en hield onvoldoende rekening met de belangen van de kinderen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoedeisend belang en materiële samenhang met het bestreden besluit voor zover het ging om tijdelijke woonruimte. Daarom werd het verzoek ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit geschorst. De minister werd opgedragen zich in te spannen voor passende tijdelijke woonruimte en de huur- en servicekosten te vergoeden zolang de beroepsprocedure loopt en tot zes weken na uitspraak.

Daarnaast werd het verzoek voor overige voorzieningen niet-ontvankelijk verklaard. De minister moet de proceskosten en griffierechten aan verzoekster vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.M. de Wit op 23 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank schorst het bestreden besluit en beveelt de minister passende tijdelijke woonruimte te bieden en de kosten te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1071

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [land] , verzoekster

(gemachtigden: mr. F. Heinink en mr. S. Arakelyan),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigden: V.N. Giang en V.K. Oedai).

Inleidende opmerkingen

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van een vergoeding die in het kader van brede ondersteuning in het buitenland is aangevraagd. [1]
1.1.
Bij besluit van 24 mei 2024 is de aanvraag van verzoekster om een vergoeding voor de afbouw van haar woning afgewezen. Het bezwaar tegen de afwijzing is ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 13 december 2024.
1.2.
Tegen het bestreden besluit heeft verzoekster op 24 januari 2025 beroep ingesteld [2] . De beroepsprocedure is op 25 september 2025 geschorst zodat partijen met elkaar over een oplossing kunnen overleggen.
1.3.
Partijen zijn niet tot onderlinge overeenstemming gekomen.
1.4.
Verzoekster heeft op 3 februari 2026 een voorlopige voorziening gevraagd.
1.5.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is op 9 maart 2026 ter zitting behandeld. Daaraan nam verzoekster per beeldverbinding deel. Haar gemachtigden verschenen ter zitting, evenals de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

De huisvestingsproblematiek
2. Verzoekster is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij is in verband met de toeslagproblematiek naar [land] vertrokken met haar gezin. Op [land] heeft zij een bouwwerk gekocht, gelegen aan de [adres 1] . Het bouwwerk is bestemd als woning, maar is nog niet afgewerkt; er ontbreken nog ramen, deuren, sanitair en andere gebruikelijke voorzieningen.
3. Tot februari 2026 verbleef verzoekster met 4 kinderen in een ruimte, bestaand uit een slaapkamer van circa 3 bij 3 meter en een badkamer van circa 1,5 bij 3 meter. Verzoekster en de kinderen gebruikten de ruimte tegen betaling als provisorisch verblijf. De ruimte hoort bij een hoofdwoning gelegen aan de [adres 2] . Tot de hoofdwoning had het gezin geen toegang. Het gezin heeft de provisorische verblijfsruimte vanaf februari 2026 moeten verlaten.
4. Vanaf februari 2026 verblijft verzoekster met haar kinderen in de onafgewerkte koopwoning.
Processueel verloop
5. Verweerder heeft verzoekster benaderd voor brede ondersteuning en haar een casemanager toegewezen van Ondersteuning Team Buitenland (OTB). Op 21 juli 2023 is een plan van aanpak opgesteld, waarin de behoeften van verzoekster op vijf leefgebieden zijn omschreven. Op het leefgebied ‘Wonen’ is uiteengezet dat verzoekster de koopwoning wil afwerken, om die met haar kinderen te kunnen bewonen. De afwerkingskosten zijn begroot op € 32.000,-. Op 22 april 2024 heeft verzoekster zich akkoord verklaard met de inhoud van het plan van aanpak.
6. Op 2 mei 2024 heeft verzoekster om vergoeding van de begrote afwerkingskosten gevraagd. Bij beschikking van 24 mei 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing is ongegrond verklaard. Verzoekster is vervolgens in beroep gekomen. De beroepsprocedure is geschorst, zodat partijen met elkaar in overleg kunnen treden met het oog op een mogelijke oplossing.
7. Partijen hebben op 30 oktober 2025 met elkaar gesproken. Zij hebben met elkaar afgesproken dat verweerder de actuele woonomstandigheden en mogelijke woonoplossingen zal onderzoeken. Het onderzoek valt uiteen in drie richtingen: (-) de mate van geschiktheid van de huidige woonsituatie, (-) afwerking van de koopwoning en (-) overige woonmogelijkheden zoals urgenties of remigratie.
8. Ten behoeve van het onderzoek heeft Aannemingsbedrijf FEC’s General Contractors medio januari 2026 de onafgewerkte koopwoning en de provisorische verblijfsruimte bezocht.
9. De aannemer heeft twee rapporten uitgebracht. Over de provisorische verblijfsruimte heeft de aannemer vastgesteld dat deze niet geschikt is voor bewoning door het gezin, onder meer vanwege een gebrek aan ruimte voor sanitair, slaapvertrekken en keukenvoorzieningen.
10. Met betrekking tot de koopwoning heeft de aannemer gerapporteerd dat die eveneens onbewoonbaar is wegens het ontbreken van essentiële woonvoorzieningen; om de koopwoning bewoonbaar te maken voor het gezin, moeten bouwkundige werkzaamheden worden verricht voor het sanitair, de keuken, het dak, de ramen en deuren, leidingwerk en andere voorzieningen. De kosten daarvan zijn begroot op 119.412,80 Caribische gulden; omgerekend gelijk aan circa 55.000 euro.
11. Nadat verzoekster de provisorische verblijfsruimte heeft verlaten, heeft zij zich op 3 februari 2026 gewend tot de voorzieningenrechter. Zij heeft verzocht om een bevel tot het treffen van tijdelijk onderdak voor het gezin, waar het veilig en met voldoende middelen kan blijven tot 6 weken na de uitspraak in de bodemprocedure.
Welke gronden voert verzoekster aan?
12. Omdat de onafgewerkte woning momenteel onbewoonbaar is, heeft het gezin geen onderdak. Het gezin komt steeds verder in de problemen doordat verweerder de gevraagde ondersteuning weigert. Er moet dan ook onmiddellijk een voorziening worden getroffen.
13. Daarbij is van belang dat verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de woonsituatie van verzoekster; de rapportages van de aannemer bevestigen dit. Verweerder houdt verder onvoldoende rekening met de belangen van de kinderen, in strijd met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ambtshalve beoordeling: ontvankelijkheid van het verzoek
14. Voor het treffen van een voorlopige voorziening dient sprake te zijn van onverwijlde spoed. Daarnaast moet de gevraagde voorziening inhoudelijk betrekking hebben op het bestreden besluit dat in de beroepszaak ter discussie staat (‘materiële connexiteit’).
14.1.
Verzoekster woont met haar kinderen in een bouwwerk, dat nog niet geschikt is gemaakt voor bewoning. Terugkeer naar de provisorische verblijfsruimte is ook geen optie. Daarmee staat buiten twijfel dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij een oplossing voor haar huidige woonproblematiek en dus bij de gevraagde voorziening.
14.2.
Strikt opgevat, strekt het bestreden besluit tot het afwijzen van een financiële tegemoetkoming. Uit de dossierstukken in de beroepszaak en de toelichting van partijen ter zitting maakt de rechtbank evenwel op, dat verzoekster een oplossing wil voor haar woonsituatie; hierbij gaat haar voorkeur uit naar afbouw van de onafgewerkte woning, maar wijst zij mogelijke alternatieven niet van de hand. In de bodemprocedure is daarbij als geschilpunt gerezen, of verweerder zich tot afwijzing mocht beperken, dan wel onderzoek had moeten doen naar andere ondersteuningsmogelijkheden om verzoekster in het vinden van geschikte huisvesting te ondersteunen. Voor zover de voorziening strekt tot het verkrijgen van tijdelijke woonruimte, ziet de voorzieningenrechter dus voldoende inhoudelijke samenhang met het geschil in de beroepsprocedure tegen het bestreden besluit. Die samenhang is er niet met de verstrekking van leefgeld. Dat betreft namelijk een ander leefgebied en valt ook buiten de aanvraag van 2 mei 2024.
14.3.
Het verzoek is daarom ontvankelijk, voor zover het strekt tot het verkrijgen van tijdelijk onderdak. Waar het gaat om leefgeld is het verzoek niet materieel connex en dus niet-ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling van het verzoek
15. Verzoekster en haar 4 kinderen hebben geen geschikte woning. De voorzieningenrechter ziet daarbij een dringende noodzaak om te voorkomen dat de gezinssituatie verder verslechtert; het perspectief op een nieuwe start kan daardoor uit het zicht raken, waarmee het doel van de brede ondersteuning zou worden gefrustreerd.
16. Daarnaast constateert de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit onder meer lijkt te steunen op de overweging, dat de provisorische verblijfsruimte voldoende geschikt zou zijn voor bewoning door verzoekster en haar kinderen. Dit is niet te verenigen met de bevindingen van de aannemer. Er is dus reden te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het bestreden besluit.
17. De wetgever heeft de brede ondersteuning vormgegeven in een ruim opgezet wettelijk kader, dat is gericht op maatwerk. Een voorziening die strekt tot een dwingend geformuleerde inspanningsverplichting om woonruimte te vinden, past binnen dat kader.
18. Tegen deze achtergronden en gelet op de zwaarwegende belangen van verzoekster, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het bestreden besluit te schorsen en een nadere voorlopige voorziening te treffen. [3] De nadere voorziening houdt in, dat verweerder zich ertoe inspant om zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk passende woonruimte aan verzoekster en haar kinderen beschikbaar te stellen en daarvan de huur- en servicekosten te dragen. Deze voorziening wordt getroffen zolang de beroepsprocedure loopt en tot 6 weken na de uitspraak op het beroep.
19. De voorzieningenrechter merkt daarbij ten overvloede op, dat verweerder enige inspanningen heeft verricht. Zo heeft verweerder aanvankelijk tijdelijke woonvoorzieningen gevonden in de vorm van Airbnb-woningen, maar bleken die uiteindelijk niet beschikbaar. Aan de kant van verweerder lijkt dus enige bereidwilligheid aanwezig. Vanaf het moment dat verzoekster een geschikt tijdelijk onderkomen heeft gekregen, ligt het op haar weg zich in te spannen om vervangende woonruimte te vinden. Het zij vermeld, dat de voorziening die wordt toegewezen onverlet laat, dat veranderde feiten en omstandigheden aanleiding kunnen geven om de voorziening op verzoek weer op te heffen.

Conclusie

20. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit. Daarnaast draagt de voorzieningenrechter verweerder op om zich in te spannen zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk passende woonruimte aan verzoekster en haar kinderen beschikbaar te stellen en daarvan de huur- en servicekosten te dragen.
21. Met betrekking tot hetgeen overigens is verzocht, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk.
22. Verder moet verweerder de proceskosten voor de voorlopige voorzieningenprocedure vergoeden, tot een bedrag van € 1.868,-. [4]
23. Verweerder moet voorts het griffierecht van € 54,- aan verzoekster vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
(-) schorst het bestreden besluit van 13 december 2024;
(-) bepaalt dat verweerder zich ertoe inspant om zo spoedig mogelijk te zorgen voor adequate tijdelijke woonruimte en dat deze woonruimte beschikbaar blijft gedurende de beroepsprocedure en tot 6 weken na de uitspraak op het beroep, alsook de huur- en servicekosten voor verzoekster vergoedt;
(-) verklaart het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk;
(-) bepaalt dat verweerder een proceskostenvergoeding van € 1.868,- aan verzoekster betaalt;
(-) bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoekster vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen, afdeling 2.4.
2.Zaaknummer: SGR 25/788.
3.Met toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.Berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een bedrag van € 934,- per proceshandeling, een gemiddelde wegingsfactor per punt, en toekenning van 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting.