Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10420

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL25.32780
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeVerordening 810/2009/EGECLI:NL:RVS:2022:1918ECLI:EU:C:2013:862
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding

Eiseressen, zussen met de Afghaanse nationaliteit, dienden een aanvraag in voor een visum kort verblijf om familie te bezoeken in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvragen af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Afghanistan en twijfel over het vertrek na het verblijf.

Eiseressen betoogden dat zij wel degelijk sociale binding hebben, omdat zij bij hun ouders wonen die afhankelijk zijn van hun zorg, en dat zij economisch actief en zelfredzaam zijn met arbeidsovereenkomsten en werkgeversverklaringen. Verweerder stelde dat de bewijsstukken onvoldoende objectief en verifieerbaar waren en dat er geen bijzondere zorgplicht voor de ouders bestond.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de sociale en economische binding onvoldoende is aangetoond. Ook was het niet nodig om eiseressen te horen, omdat het bezwaar geen kans van slagen had. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32780

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1], [V-nummer 1], eiseres

[eiseres 2], [V-nummer 2], eiseres 2
hierna tezamen te noemen: eiseressen
(gemachtigde: mr. B. Manawi),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Graaf).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseressen tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 18 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 juni 2025 op het bezwaar van eiseressen is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [naam 1] (referent), mevrouw [naam 2] (echtgenote van referent en zus van eiseressen), de gemachtigde van eiseressen, Y. Attayee als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1991 en eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2] 1992, zij hebben de Afghaanse nationaliteit. Eiseressen zijn zussen van elkaar. Zij hebben op 28 mei 2024 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een visum kort verblijf om op familiebezoek te gaan bij referent en zijn echtgenote, de zus van eiseressen.
4. Verweerder heeft de aanvragen van eiseressen afgewezen. De reden daarvoor is dat eiseressen het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet hebben aangetoond. Daarnaast bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiseressen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. De sociale en economische binding met Afghanistan is onvoldoende aangetoond.
Wat vinden eiseressen in beroep?
5. Verweerder stelt ten onrechte dat eiseressen geen sociale binding met Afghanistan hebben. Eiseressen wonen bij hun ouders. De ouders van eiseressen zijn op leeftijd en zijn in belangrijke mate afhankelijk van hun dochters voor de dagelijkse ondersteuning. De vader van eiseressen heeft cardiologische gezondheidsproblemen. Door zijn medische situatie is hij aangewezen op de nabijheid van eiseressen en zij voelen zich op hun beurt sterk verantwoordelijk voor zijn welzijn. Dat eiseressen geen echtgenoot of kinderen hebben, betekent niet dat er geen sprake is van een sociaal netwerk of gezinsverantwoordelijkheden. Verweerder heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met sociaal-culturele factoren. Eiseressen hebben ook geen enkele binding met Nederland. Ten aanzien van de economische afhankelijkheid gaat verweerder voorbij aan de feitelijke economische situatie in Afghanistan. In Afghanistan zijn de arbeidsovereenkomsten informeel en worden salarissen contant uitbetaald, desondanks hebben eiseressen arbeidsovereenkomsten en werkgeversverklaringen overgelegd en hebben zij concrete bedragen genoemd voor hun maandelijks inkomen. Daarmee hebben zij aannemelijk gemaakt dat zij op structurele basis economisch actief en zelfredzaam zijn in hun land van herkomst. Dat de bewijsstukken niet aan de westerse standaard van verificatie voldoen, maakt ze niet zonder meer ongeloofwaardig. Verweerder had de bewijsstukken in samenhang moeten beoordelen. Bovendien hebben eiseressen geen economische motieven om zich aan het visumregime te onttrekken. Eiseressen zijn beide werkzaam bij [schoolnaam] (hierna: privéschool). Daarnaast worden het doel en de omstandigheden van het verblijf niet inhoudelijk betwist, het beoogde verblijf ziet op een familiebezoek aan de zus van eiseressen. Tot slot zijn eiseressen ten onrechte niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseressen ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader visum kort verblijf
7. De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode [1] genoemde weigeringsgronden ieder afzonderlijk voldoende zijn om een aanvraag voor een visum kort verblijf af te wijzen. Uit voornoemd artikel, aanhef en onder a (onderdeel ii), volgt dat een visum wordt geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en, uit aanhef en onder b, volgt dat een visum kan worden geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Deze weigeringsgrond wordt ook wel aangeduid als het zogenaamde vestigingsrisico. Bij de beoordeling van de vraag of een vestigingsrisico aannemelijk is, mag verweerder het criterium van sociale en economische binding hanteren. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. [2] De bestuursrechter kan de conclusies van verweerder over de toepasselijkheid van deze weigeringsgronden daarom slechts terughoudend toetsen.
Sociale en economische binding
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat er onvoldoende sociale en economische binding van eiseressen met Afghanistan is gebleken.
8.1.
Ten aanzien van de sociale binding heeft verweerder mogen betrekken dat eiseressen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit 33 en 34 jaar oud zijn, alleenstaand zijn en geen kinderen hebben. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er voor eiseressen geen (bijzondere) zorgplicht bestaat jegens hun ouders of andere directe familieleden. Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat uit de in beroep overgelegde medische stukken met betrekking tot de vader van eiseressen, niet blijkt dat hij hulpbehoevend is en voor deze zorg van hen afhankelijk is.
8.2.
Met betrekking tot de economische binding met Afghanistan heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er onvoldoende objectieve en verifieerbare stukken zijn overgelegd te aanzien van de gestelde werkzaamheden en niet is gebleken wat de precieze aard van de werkzaamheden van eiseres als CEO en eiseres 2 als freelancer bij de privéschool zijn. Ook heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat eiseressen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij over een regelmatig en substantieel inkomen beschikken in Afghanistan om zelfstandig in het eigen onderhoud te kunnen voorzien. De stelling van eiseressen dat hun verdiensten omgerekend ieder €259,- per maand bedragen, is niet onderbouwd met nadere bewijsmiddelen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat uit de overgelegde arbeidscontracten niet volgt of eiseressen daadwerkelijk over een regelmatig en substantieel inkomen beschikken. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat in de arbeidscontracten weliswaar staat dat zij hun salaris in contanten ontvangen, maar niet is onderbouwd op welke wijze de contante betalingen aan eiseressen voldaan worden. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het op de weg van eiseressen ligt om met nadere stukken te onderbouwen dat zij daadwerkelijk maandelijks het gestelde salaris in contanten ontvangen. Verweerder heeft dus kunnen concluderen dat met de overgelegde stukken onvoldoende is aangetoond dat eiseressen economisch gebonden zijn aan Afghanistan.
Hoorplicht
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseressen niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [3] Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiseressen is aangevoerd in de bezwaarfase en in reactie op de ‘Vragenlijst visumaanvraag’, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening 810/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009.
2.Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
3.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.