ECLI:NL:RBDHA:2026:10422
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke intrekking verblijfsvergunning kennismigrant wegens niet-erkende referent
Eiser, een kennismigrant met een reguliere verblijfsvergunning, werd gedeeltelijk zijn vergunning ingetrokken voor de periode 1 november 2023 tot 27 juni 2024. Dit omdat hij in die periode werkzaam was bij een werkgever die nog niet erkend was als referent volgens de kennismigrantenregeling. Zijn gezinsleden, die een afgeleide verblijfsvergunning hadden, werden eveneens getroffen door de intrekking.
Eiser voerde aan dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheids-, motiverings-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Hij stelde dat de overplaatsing binnen dezelfde holding plaatsvond, dat hij te goeder trouw was en dat de IND onvoldoende had meegewerkt, waardoor het verblijfsgat niet aan hem toegerekend mocht worden.
De rechtbank oordeelde dat het voldoen aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en het doen van onderzoek daaromtrent de verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf is. Het feit dat de werkgever nog niet erkend was als referent leidde tot het verblijfsgat. De rechtbank vond dat de intrekking niet onevenredig was, ook niet gezien de vertraging van de IND. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de gedeeltelijke intrekking van de verblijfsvergunning van de kennismigrant en zijn gezinsleden wordt ongegrond verklaard.