AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van de Opiumwet
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning van verzoeker voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De politie trof bij een doorzoeking op 22 oktober 2025 diverse harddrugs aan in de woning en inpandige berging, waaronder cocaïne en amfetamine, alsmede een weegschaal en een prijslijst. Verweerder besloot daarop tot sluiting van de woning.
Verzoeker betwist de bevoegdheid tot sluiting en stelt dat hij niet betrokken is bij drugshandel, dat de drugs voor eigen gebruik zouden zijn en dat de sluiting disproportioneel is gezien zijn persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop. De voorzieningenrechter oordeelt dat de hoeveelheid drugs en de omstandigheden wijzen op handel, dat de sluiting geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde, en dat de belangen zorgvuldig zijn afgewogen.
De voorzieningenrechter acht de sluiting niet onevenwichtig, ook niet gelet op het feit dat verzoeker niet aanwezig was tijdens de doorzoeking en dat hij geen bijzondere binding met de woning heeft die sluiting zou verbieden. De sluiting is niet in strijd met artikel 8 EVRMPro. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen omdat de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1117
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. D.C.D. Newoor),
en
de burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Markerink).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Hof wonen, gevestigd in Den Haag (derde-partij)
([gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker aan de [adres] in [plaats] voor de duur van drie maanden, op grond van de Opiumwet. [1] Verzoeker is het hier niet mee eens en wil dat dit besluit geschorst wordt in afwachting van de behandeling van de bezwaarprocedure. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 28 januari 2026 heeft verweerder de woning voor de duur van drie maanden gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De derdepartij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van verweerder en de gemachtigden van de derde-partij.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 22 oktober 2025 is de politie de woning van verzoeker binnengetreden. De politie volgde een winkeldief met gestolen goederen en kwam bij de woning van verzoeker uit. De winkeldief was bij de politie ambtshalve bekend als drugsgebruiker en de bewoner van de woning ambtshalve bekend als drugsdealer. In de woning trof de politie niet alleen verschillende goederen aan die van diefstal afkomstig waren maar ook (vermoedelijk) harddrugs. Ook in de inpandige berging die bij de woning hoort, onder het pand, vond de politie een hoeveelheid harddrugs. De politie heeft verweerder op 25 oktober 2025 hierover geïnformeerd. Op 23 december 2025 en 16 januari 2026 heeft de politie verweerder nader geïnformeerd. Hierop heeft verweerder besloten om de woning van verzoeker te sluiten voor de duur van drie maanden. Deze zaak gaat over de vraag of de sluiting van de woning moet worden opgeschort totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is om de woning te sluiten. Op het moment van de doorzoeking zat verzoeker in het buitenland. Hij wijst erop dat hij niet betrokken is bij de handel in verdovende middelen. Het is ook niet gebleken dat er werd gehandeld vanuit zijn woning. Gelet op het tijdsverloop is een sluiting niet geschikt. Van een noodzaak tot herstel van de openbare orde is bovendien niet gebleken. Van loop of overlast was volgens verzoeker geen sprake. Dat de meldingen specifiek op zijn adres zien en niet op een van de andere acht woningen in het portiek is niet gespecificeerd, het onderzoek door de politie is op dit punt onzorgvuldig. De rapportages zijn te summier en de maatregel berust daarom niet op een deugdelijke grondslag. Verweerder had met een lichter middel zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom moeten volstaan, nu het niet gaat om een ernstig geval. Verzoeker heeft geen antecedenten die zien op handel in verdovende middelen en er is (dus ook) geen sprake van recidive. Verzoeker wijst erop dat hij de woning heeft verkregen vanuit een begeleidingstraject bij Fivoor, er is daarom bijzondere binding met de woning. Sluiting van de woning zou in strijd zijn met artikel 8 vanPro het EVRM. Verzoeker heeft geen vervangende woonruimte gedurende de sluiting en heeft gelet op zijn Wajong-uitkering (‘geen arbeidsvermogen’) ook niet de financiële middelen om vervangende woonruimte te bekostigen. De sluiting is volgens verzoeker in strijd met het motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker verwijst naar verschillende uitspraken ter onderbouwing van zijn betoog. [2]
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is sprake van spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als een spoedeisend belang dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. [3] De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar voor verzoeker evident sprake van is nu hij door de sluiting zijn woning niet zal kunnen gebruiken.
Juridisch kader
5. In haar uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling in aanvulling op eerdere jurisprudentie hierover de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. [4] De voorzieningenrechter verwijst voor deze uitgangspunten naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het verzoek.
Bevoegdheid tot sluiting
6. Verweerder is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning harddrugs of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans wordt de woning voor een bepaalde periode gesloten.
6.1.
Uit de bestuurlijke rapportage en het bestreden besluit blijkt dat bij de doorzoeking van de woning en de inpandige berging verschillende goederen zijn aangetroffen en in beslag genomen, waaronder 35 bolletjes harddrugs en een gripzakje met wit poeder. De middelen zijn door de politie gewogen en indicatief getest. De bolletjes bevatten 4,5 gram cocaïne en het gripzakje 0,8 gram cocaïne. Verder vond de politie een grammenweegschaal en een lijst met daarop de prijzen van de verschillende soorten drugs. In de inpandige berging onder het pand vond de politie twee brokken met een witte substantie en een envelop met wit poeder. Ook deze middelen zijn gewogen en indicatief getest (5,7 gram cocaïne, 39,2 gram amfetamine, en in de envelop 3,3 gram van een onbekende stof).
6.2.
Volgens vaste rechtspraak is artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een woning. De drugs moeten met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs deze in beginsel (mede) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van verzoeker om het tegendeel aannemelijk te maken. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is verweerder bevoegd om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet te sluiten.
6.3.
Een deel van de middelen is indicatief getest. Verzoeker weerspreekt de aanwezigheid ervan in zijn woning niet en heeft ook geen redenen aangevoerd waarom het resultaat van de indicatieve testen niet juist zou zijn. De vrouw die op het moment van de doorzoeking in de woning aanwezig was, heeft verklaard dat de drugs van verzoeker en haarzelf zijn. Het betoog dat de drugs voor eigen gebruik zouden zijn, is echter niet helder en consistent. [5] Verzoeker noemt zelf eerst in de gronden van het verzoek het eigen gebruik (gelet op de aanhoudingen voor rijden onder invloed), maar weerspreekt tijdens de mondelinge behandeling op zitting vervolgens dat hij nog (hard)drugs gebruikt. Omdat het hier gaat om een hoeveelheid harddrugs die de voor eigen gebruik bestemde handelshoeveelheid (ruimschoots) overschrijdt, mocht verweerder in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder bevoegd om de woning te sluiten.
Evenredigheid: geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een sluiting in dit geval geschikt is. Verzoeker wijst op het tijdsverloop. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop verweerder ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Daarvan is in dit geval geen sprake. De doorzoeking vond plaats op 22 oktober 2025, waarover op 25 oktober 2025 een bestuurlijke rapportage volgde met aanvullingen op 23 december 2025 en 16 januari 2026. Verweerder heeft op 28 januari 2026 besloten de woning te sluiten. Dat is niet dermate lang na de doorzoeking dat de sluiting van de woning redelijkerwijs niet meer kan bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. [6] Daartussen zit iets meer dan drie maanden. Tussen de doorzoeking en de uitspraak in deze voorlopige voorzieningenprocedure zit iets meer dan vijf maanden.
8. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding of sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel vanuit het pand. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat sprake is van een ernstig geval, gelet op de verschillende indicatoren die verweerder aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. [7] Uit de bestuurlijke rapportage blijkt onder meer van een MMA-melding met betrekking tot het dealen van drugs (1 juni 2025), drie mogelijke overdrachten van drugs bij de woning van verzoeker (16 december 2025), waarneming kortstondig bezoek, vermoedelijk drugshandel (22 december 2025), en een waarneming kortstondig bezoek aan woning verzoeker, de man die daarop staande werd gehouden heeft verklaard dat hij drugs voor eigen gebruik heeft gekocht (12 januari 2026). De voorzieningenrechter acht de meldingen voldoende concreet. De informatie uit de bestuurlijke rapportages maakt het aannemelijk dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en dat een noodzaak tot sluiting bestaat. In de bestuurlijke rapportage van 4 februari 2026 staat verder dat verzoeker – anders dan hijzelf beweert – antecedenten heeft op het gebied van handel in verdovende middelen. Wel is de voorzieningenrechter het met verzoeker eens dat de meldingen over rijden onder invloed in dit kader niet relevant zijn. Verder heeft verweerder wel nog mogen meewegen dat verzoeker in een kwetsbare wijk woont. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het noodzakelijk om de woning te sluiten.
9. Als het sluiten van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die verweerder met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk acht. Verzoeker heeft erop gewezen dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van verdovende middelen in zijn woning. Hij heeft vluchtgegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij van 21 tot en met 23 oktober 2025 in [land] verbleef. Hij heeft toegelicht dat hij daar een optreden had als artiest. Daarover merkt de voorzieningenrechter op dat verzoeker als bewoner verantwoordelijk is voor wat zich in de woning bevindt. Dat hij niet aanwezig was in de woning, betekent dus niet dat hem niets te verwijten valt. Verder geldt dat van bijzondere binding met de woning geen sprake is, want verzoeker heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hij niet in een andere woning zou kunnen verblijven. De enkele omstandigheid dat hij deze woning via Fivoor heeft gekregen, is daartoe onvoldoende. Ook kan hij de zorgtaken die hij voor zijn moeder verricht, die in een verpleeghuis zit, ook vanuit een andere woning oppakken.
10. De derde-partij heeft nog toegelicht dat zij per brief en e-mail van 4 februari 2026 verzoeker heeft verzocht de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen. Als verzoeker daarmee niet akkoord gaat, zal zij een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming starten. Als de woning wordt gesloten, zal zij de huurovereenkomst bovendien buitengerechtelijk ontbinden (art. 7:231, tweede lid, van het BW). De voorzieningenrechter ziet ook hierin geen grond voor het oordeel dat de sluiting onevenwichtig is. [8]
11. Het voorgaande betekent dat de sluiting vooralsnog een legitiem doel dient. Verweerder mocht de sluiting noodzakelijk achten en heeft niet hoeven volstaan met een waarschuwing. Een sluiting is dan ook niet in strijd met artikel 8 vanPro het EVRM.
Conclusie en gevolgen
12. Het voorgaande betekent dat de sluiting van de woning naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Er is daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
1.Artikel 13b, aanhef en onder a, van de Opiumwet.