Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11040

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
26/1774
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 2a OpiumwetArt. 4.1 Beleidsregel toepassing artikel 13b Opiumwet Den Haag 2023Art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van de Opiumwet

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning van verzoekster voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De woning werd door de politie doorzocht in een strafrechtelijk onderzoek waarbij aanzienlijke hoeveelheden harddrugs, waaronder GHB en 2-MMC, en verpakkingsmateriaal werden aangetroffen. Verzoekster betwist de sluiting en stelt dat zij niet op de hoogte was van de drugs en dat een minder ingrijpende maatregel passend zou zijn.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder bevoegd was tot sluiting omdat de aangetroffen hoeveelheden drugs de grens voor eigen gebruik ruimschoots overschrijden en er aanwijzingen zijn dat de drugs bestemd waren voor verkoop. De sluiting is geschikt en noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde, mede gelet op eerdere meldingen over drugshandel vanuit de woning.

Hoewel verzoekster wijst op het tijdsverloop en de belangen van haar minderjarige kinderen, acht de voorzieningenrechter de sluiting niet onevenwichtig. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de sluiting in stand blijft. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de woning gesloten blijft gedurende de opgelegde periode.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen, waardoor de sluiting gehandhaafd blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1774

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A.B. Baumgarten),
en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: mr. J.J. Markerink en S.G. Price).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoekster aan de [adres] voor de duur van drie maanden, op grond van de Opiumwet. [1] Verzoekster is het hier niet mee eens en wil dat dit besluit geschorst wordt in afwachting van de behandeling van de bezwaarprocedure. Zij voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 februari 2026 heeft verweerder de woning voor de duur van drie maanden gesloten. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Op 9 december 2025 heeft de politie een instap gedaan in de woning van verzoekster in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar voorbereidingshandelingen, handel in harddrugs en witwassen. In de woning werden verschillende soorten harddrugs gevonden (onder meer op en nabij kinderspeelgoed). Een aangetroffen vloeistof testte positief op de aanwezigheid van GHB. Een plastic tas met 340 gram kristallen testte positief op de aanwezigheid van 2-MMC. Alle aangetroffen, vermoedelijk verdovende, middelen zijn naar het NFI gestuurd voor verder onderzoek. Tegen verzoekster loopt op dit moment een strafzaak wegens het gedurende een periode van circa 5 maanden verkopen van lustverhogende drankjes waarin volgens het Openbaar Ministerie 2-MMC verwerkt zou zijn. De politie heeft verweerder op 23 december 2025 geïnformeerd over wat zij hebben aangetroffen (bestuurlijke rapportage ontvangen op 8 januari 2026). Hierop heeft verweerder besloten om de woning te sluiten voor de duur van 3 maanden, vanaf 3 maart 2026 om 15.00 uur. Deze zaak gaat over de vraag of de sluiting van de woning moet worden opgeschort totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.
Wat vindt verzoekster?
4. Verzoekster is het niet eens met de sluiting van haar woning. Zij was zich niet bewust van de aanwezigheid van GHB in haar woning. Verweerder had in beginsel moeten en kunnen volstaan met een lichter middel zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom. [2] Zij wijst op het tijdsverloop tussen de instap en het besluit tot sluiting. De voorlopige hechtenis is geschorst onder algemene en bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden bieden voldoende waarborg om het door verweerder nagestreefde doel te bereiken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet voor een minder vergaande maatregel heeft gekozen. De sluiting is ook niet evenwichtig. De belangen van de zesjarige dochter van verzoekster worden door de sluiting geschaad, omdat deze haar terugplaatsing in huis doorkruist (VUHP-traject). Ook staat de sluiting het contact met haar twee minderjarige zoons in de weg. Zij bezoeken normaal gesproken ieder weekend hun moeder. Zonder woning kan dit niet. Tot slot heeft verzoekster voor zichzelf nog geen alternatieve woonruimte kunnen vinden voor de duur van de sluiting.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is sprake van spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als een spoedeisend belang dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. [3] De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar voor verzoekster evident sprake van is nu zij door de sluiting haar woning niet kan gebruiken.
Juridisch kader
6. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling [4] in aanvulling op eerdere jurisprudentie hierover de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter verwijst voor deze uitgangspunten naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het verzoek.
Bevoegdheid tot sluiting
7. Verweerder is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning harddrugs of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans wordt de woning voor een bepaalde periode gesloten.
7.1.
Uit de bestuurlijke rapportage en het bestreden besluit blijkt dat bij de doorzoeking van de woning verschillende goederen zijn aangetroffen en in beslag genomen, waaronder 250 milliliter GHB (lijst I). Daarnaast is in de woning 340 gram 2-MMC aangetroffen. 2MMC staat (sinds juli 2025) op lijst Ia van de Opiumwet en is strafbaar gesteld in artikel 2a van de Opiumwet. Ook zijn in de woning verschillende goederen aangetroffen die volgens de politie gebruikt kunnen worden bij het verpakken en verzenden van de aangetroffen middelen. Zo zijn er in de woning verschillende verzendbewijzen, kaartjes met ‘thank you’, envelopjes, en kaarten met de opdruk ‘your order made my day’ aangetroffen. Ook zijn er zes mobiele telefoons en € 545,- aan contant geld in verschillende coupures aangetroffen. Verder is volgens het bestreden besluit onder meer aangetroffen:
  • Gripzakje met twee beige/witte blokken;
  • Boterhamzakje met twee witte blokken;
  • Twee losse witte blokken;
  • Twaalf pillen in felle kleuren in een zakje;
  • Blauwe vloeistof in een flesje;
  • Twee flessen, een met blauwe vloeistof en een zilveren dop, en een met roze vloeistof en tuit-dop;
  • Halfvolle ingedeukte fles met een groene vloeistof;
  • Meerdere flesjes met verschillende kleuren vloeistof;
  • Twee glazen flesjes met een zilveren dop en restjes blauwe vloeistof;
  • Twee glazen flesjes met een rode vloeistof, een glazen flesje met een blauwe vloeistof en drie glazen flesjes met een groene vloeistof;
  • Plastic zakje met wit poeder, kristallen en kleine bolletjes;
  • Flesje blauwe vloeistof;
  • Plastic fles met oranje dop en blauwe vloeistof;
  • Plastic fles met opdruk ‘Bubblz’ met een blauwe vloeistof;
  • Potje met amfetamine;
  • Capsules gevuld met substantie;
  • Drie zakjes met drugs;
  • Vier flesjes met vloeistof;
  • Potje bruine stroperige substantie, vermoedelijk hennepolie;
  • Twee gripzakjes met dik wit poeder, op de zakjes stond ‘J’ geschreven;
  • Gripzakje met dik wit poeder, op het zakje stond ‘2m’ geschreven;
  • Twee gripzakjes met witte kristallen;
  • Gripzakje met wit poeder, op het zakje stond ‘has’ geschreven;
  • Zakje met vermoedelijk 4-BMC poeder;
  • Plastic zakje met witte kristallen, op het zakje zat een gouden sticker met opdruk ‘free gift’;
  • Gripzakje met witte kristallen en brokken;
  • Drie plastic zakjes, één zakje met een blauwe pil, één zakje met witte kristallen en één zakje met vermoedelijk 6-APB;
  • Glazen flesje met blauwe vloeistof;
  • Flesje met rode vloeistof;
  • Glazen flesje met zilveren dop, voor de helft gevuld met een groene vloeistof;
  • Gripzakje met wit dik poeder;
  • Witte kristallen en een paar grote blokken;
  • Plastic zakje met witte kristallen.
7.2.
Verweerder heeft op 16 maart 2026 een aanvullende bestuurlijke rapportage ‘Handel harddrugs vanuit woning’ overgelegd van 9 maart 2026 met daarin de conclusies van de Forensische Opsporing en het NFI. Ook heeft verweerder op diezelfde datum het rapport van het NFI van 26 februari 2026 overgelegd. Omdat de stukken zijn ontvangen na het sluiten van het onderzoek op 9 maart 2026 zijn deze stukken niet toegevoegd aan het rechtbankdossier en ook niet betrokken bij de beoordeling van het onderhavige verzoek.
7.3.
Volgens vaste rechtspraak is artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een woning. De drugs moeten met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs deze in beginsel (mede) bestemd worden geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van verzoeker om het tegendeel aannemelijk te maken. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is verweerder bevoegd om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet te sluiten.
7.4.
De GHB en 2-MMC zijn indicatief getest. Verzoekster weerspreekt de aanwezigheid ervan in haar woning niet en heeft ook geen redenen aangevoerd waarom het resultaat van de indicatieve test niet juist zou zijn. Omdat het hier gaat om een hoeveelheid harddrugs die de voor eigen gebruik bestemde handelshoeveelheid ruimschoots overschrijdt, mocht verweerder in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder bevoegd om de woning te sluiten.
Evenredigheid: geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een sluiting in dit geval geschikt is. Verzoekster wijst op het tijdsverloop. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop verweerder ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Het tijdsverloop tussen de instap op 9 december 2025, waarover op 23 december 2025 een bestuurlijke rapportage volgde, en het tijdstip waarop verweerder heeft besloten om tot sluiting over te gaan, op 23 februari 2026, is niet dermate lang dat de sluiting van de woning redelijkerwijs niet meer kan bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. [5] Tussen de instap en de uitspraak in deze voorlopige voorzieningenprocedure zit nog geen vier maanden.
9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het ook noodzakelijk om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding of sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel vanuit het pand. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat sprake is van een ernstig geval, gelet op de verschillende indicatoren die verweerder aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. [6] Uit de bestuurlijke rapportage van 23 december 2025 volgt dat in de afgelopen jaren, van 2021 tot en met 2025, verschillende anonieme meldingen zijn gedaan bij de melding over handel in drugs vanuit de woning en over veel aanloop van kopers op dit adres. Dit is ook gebleken tijdens het strafrechtelijk onderzoek, zo staat in de bestuurlijke rapportage. Weliswaar zijn deze meldingen niet gespecificeerd, maar de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de bestuurlijke rapportage te twijfelen. Dat er handel vanuit de woning plaatsvond, blijkt bovendien ook uit het aangetroffen verpakkingsmateriaal. Dit maakt het aannemelijk dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en dat een noodzaak tot sluiting bestaat.
10. Verzoekster heeft op zitting benadrukt dat de verkoop van 2-MMC legaal was tot 1 juli 2025. Dit mag zo zijn, de aangetroffen middelen en het verpakkingsmateriaal duiden er niet op dat de feitelijke handel vanuit de woning sindsdien is gestopt. Volgens verzoekster bestaat daarnaast geen kans op herhaling gelet op de algemene en bijzondere voorwaarden die aan haar zijn opgelegd. Dit doet er niet aan af dat een sluiting een objectgerichte maatregel is, en bijvoorbeeld ook is bedoeld om de relatie van de woning met het criminele milieu en de handel te verbreken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet met een lichter middel zoals een waarschuwing hoeven volstaan.
11. Als het sluiten van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die verweerder met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk acht. Verzoekster heeft erop gewezen dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de GHB in haar woning. Daarover merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster als bewoner verantwoordelijk is voor wat zich in de woning bevindt. Dit doet dus niet af aan haar verwijtbaarheid. De aangetroffen 2-MMC lag bovendien vol in het zicht in de woning, waar ook haar kinderen aanwezig waren. Verzoekster draagt op dit moment niet de zorg voor haar kinderen. Haar dochter is uithuisgeplaatst als gevolg van de detentie van verzoekster. Haar zoons verblijven elders, maar ziet zij wel regelmatig. Niet is gebleken dat zij haar zoons (net 15 en bijna 17 jaar oud) niet op een andere locatie dan in haar woning kan zien. Verder wordt de terugplaatsing van haar dochter door de sluiting niet zonder meer doorkruist. Op de zitting is toegelicht dat in de komende periode de voorbereiding van de terugplaatsing verder in gang wordt gezet. Uit de stukken maakt de voorzieningenrechter op dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter is verleend tot 23 juni 2026. Dat is over exact drie maanden. Indien het hebben van een eigen woonruimte een absoluut vereiste is voor terugplaatsing en de woning op of na 23 juni 2026 nog gesloten is, kan verzoekster verweerder vragen om de noodzaak van de sluiting opnieuw te beoordelen en de sluiting eventueel op te heffen. Verder is niet gebleken dat verzoekster voor zichzelf gedurende de sluiting geen alternatieve verblijfsplaats kan regelen of betalen. De enkele stelling dat zij niet tijdelijk terecht kan bij familie of vrienden is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de sluiting niet onevenwichtig is.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en verweerder de woning mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 13b, aanhef en onder a, van de Opiumwet.
2.Artikel 4.1 van de Beleidsregel.
3.Artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:475,
6.Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, b, e, g, i en k, van de Beleidsregel.