7.4.De GHB en 2-MMC zijn indicatief getest. Verzoekster weerspreekt de aanwezigheid ervan in haar woning niet en heeft ook geen redenen aangevoerd waarom het resultaat van de indicatieve test niet juist zou zijn. Omdat het hier gaat om een hoeveelheid harddrugs die de voor eigen gebruik bestemde handelshoeveelheid ruimschoots overschrijdt, mocht verweerder in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder bevoegd om de woning te sluiten.
Evenredigheid: geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een sluiting in dit geval geschikt is. Verzoekster wijst op het tijdsverloop. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop verweerder ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Het tijdsverloop tussen de instap op 9 december 2025, waarover op 23 december 2025 een bestuurlijke rapportage volgde, en het tijdstip waarop verweerder heeft besloten om tot sluiting over te gaan, op 23 februari 2026, is niet dermate lang dat de sluiting van de woning redelijkerwijs niet meer kan bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend.Tussen de instap en de uitspraak in deze voorlopige voorzieningenprocedure zit nog geen vier maanden.
9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het ook noodzakelijk om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding of sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel vanuit het pand. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat sprake is van een ernstig geval, gelet op de verschillende indicatoren die verweerder aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.Uit de bestuurlijke rapportage van 23 december 2025 volgt dat in de afgelopen jaren, van 2021 tot en met 2025, verschillende anonieme meldingen zijn gedaan bij de melding over handel in drugs vanuit de woning en over veel aanloop van kopers op dit adres. Dit is ook gebleken tijdens het strafrechtelijk onderzoek, zo staat in de bestuurlijke rapportage. Weliswaar zijn deze meldingen niet gespecificeerd, maar de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de bestuurlijke rapportage te twijfelen. Dat er handel vanuit de woning plaatsvond, blijkt bovendien ook uit het aangetroffen verpakkingsmateriaal. Dit maakt het aannemelijk dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en dat een noodzaak tot sluiting bestaat.
10. Verzoekster heeft op zitting benadrukt dat de verkoop van 2-MMC legaal was tot 1 juli 2025. Dit mag zo zijn, de aangetroffen middelen en het verpakkingsmateriaal duiden er niet op dat de feitelijke handel vanuit de woning sindsdien is gestopt. Volgens verzoekster bestaat daarnaast geen kans op herhaling gelet op de algemene en bijzondere voorwaarden die aan haar zijn opgelegd. Dit doet er niet aan af dat een sluiting een objectgerichte maatregel is, en bijvoorbeeld ook is bedoeld om de relatie van de woning met het criminele milieu en de handel te verbreken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet met een lichter middel zoals een waarschuwing hoeven volstaan.
11. Als het sluiten van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die verweerder met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat verweerder een sluiting noodzakelijk acht. Verzoekster heeft erop gewezen dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de GHB in haar woning. Daarover merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster als bewoner verantwoordelijk is voor wat zich in de woning bevindt. Dit doet dus niet af aan haar verwijtbaarheid. De aangetroffen 2-MMC lag bovendien vol in het zicht in de woning, waar ook haar kinderen aanwezig waren. Verzoekster draagt op dit moment niet de zorg voor haar kinderen. Haar dochter is uithuisgeplaatst als gevolg van de detentie van verzoekster. Haar zoons verblijven elders, maar ziet zij wel regelmatig. Niet is gebleken dat zij haar zoons (net 15 en bijna 17 jaar oud) niet op een andere locatie dan in haar woning kan zien. Verder wordt de terugplaatsing van haar dochter door de sluiting niet zonder meer doorkruist. Op de zitting is toegelicht dat in de komende periode de voorbereiding van de terugplaatsing verder in gang wordt gezet. Uit de stukken maakt de voorzieningenrechter op dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter is verleend tot 23 juni 2026. Dat is over exact drie maanden. Indien het hebben van een eigen woonruimte een absoluut vereiste is voor terugplaatsing en de woning op of na 23 juni 2026 nog gesloten is, kan verzoekster verweerder vragen om de noodzaak van de sluiting opnieuw te beoordelen en de sluiting eventueel op te heffen. Verder is niet gebleken dat verzoekster voor zichzelf gedurende de sluiting geen alternatieve verblijfsplaats kan regelen of betalen. De enkele stelling dat zij niet tijdelijk terecht kan bij familie of vrienden is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de sluiting niet onevenwichtig is.