Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11060

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
26/1781
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 174a GemeentewetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens langdurige ernstige overlast

Verzoeker kampt met ernstige psychiatrische problematiek en veroorzaakt al geruime tijd ernstige en langdurige overlast in zijn woonomgeving, waaronder geluidsoverlast en verbale agressie. De burgemeester van Leiden besloot daarom de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 174a van de Gemeentewet.

Verzoeker maakte bezwaar tegen deze sluiting en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting op te schorten totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat hoewel de overlast ernstig is en de gemeente zich op het standpunt kon stellen dat sprake is van langdurige overlast, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de veiligheid en gezondheid van omwonenden in ernstige mate wordt bedreigd.

Daarnaast weegt het belang van verzoeker om in zijn woning te blijven, mede gezien zijn kwetsbare gezondheid en het ontbreken van passende alternatieve woonruimte, zwaarder dan het belang van de gemeente bij de tijdelijke sluiting. De voorzieningenrechter besloot daarom het besluit tot woningsluiting op te schorten tot twee weken na de beslissing op het bezwaar. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de woningsluiting wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op het bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1781

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. D. Poot),
en

de burgemeester van Leiden, verweerder

(gemachtigden: mr. E. Kruin en mr. B.N. Vinkenvleugel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker aan de [adres] voor de duur van drie maanden op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 februari 2026 heeft verweerder de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden gesloten, met ingang van 5 maart 2026 om 11.00 uur. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 3 maart 2023 heeft verweerder bepaald dat de woning gelet op de mondelinge behandeling van het verzoek op 9 maart 2026 niet op 5 maart 2026 maar op 13 maart 2026 om 11.00 uur zal worden gesloten. Verzoeker heeft hier eveneens bezwaar tegen gemaakt.
2.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder. Namens de politie was [naam 1] aanwezig. Ook de zus, moeder, en behandelaar ([naam 2] van [zorginstantie 1]) van verzoeker waren aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker woont zelfstandig in zijn (koop)woning, hoewel hij al 35 jaar met (ernstige) psychiatrische problematiek kampt. Verweerder is van plan om zijn woning te sluiten omdat de politie in de afgelopen jaren veel meldingen heeft ontvangen waaruit volgens verweerder volgt dat verzoeker ernstige, structurele en aanhoudende overlast veroorzaakt. De 57 registraties zien op de periode van 1 mei 2022 tot en met 5 februari 2026 en betreffen met name geluidsoverlast en verbale agressie. De politie heeft in dit kader in februari 2026 ook een buurtonderzoek gedaan door met zeven omwonenden te spreken. De overlast veroorzaakt verzoeker volgens verweerder vanuit en rondom de woning, waaronder op straat. Dit heeft een negatief effect op het woon- en leefklimaat van de buren en andere omwonenden, aldus verweerder. Het zorgt namelijk voor onrust, slaapverstoring en daarmee gepaard gaande angstgevoelens. Ook winkeliers in de buurt ervaren overlast. Verweerder wil met het tijdelijk sluiten van de woning de openbare orde herstellen en de rust in de buurt terugbrengen. Deze zaak gaat over de vraag of de sluiting van de woning moet worden opgeschort tot op het bezwaar is beslist.
Wat vindt verzoeker?
4. Verzoeker is het niet eens met de sluiting van zijn woning. Het besluit is volgens hem niet zorgvuldig tot stand gekomen. Het Zorg- en Veiligheidshuis heeft aan het meldpunt Zorg en Overlast in 2025 slechts twee meldingen van buren en één melding van de politie doorgegeven. De behandelaar van verzoeker is ook niet tijdig geïnformeerd over de meldingen. Hulpverleners hebben hierdoor geen eerlijke kans gekregen wat betreft het vinden van een duurzame oplossing. Een sluiting is niet doelmatig, omdat deze slechts tijdelijk is, contraproductief, en in het geval van verzoeker ook disproportioneel. Zijn gedrag komt voort uit zijn psychiatrische aandoening en kan hem daarom niet worden verweten. Een tijdelijke sluiting zal naar verwachting bovendien leiden tot grote en mogelijk onherstelbare schade wat betreft zijn welzijn en functioneren. Op dit moment is geen geschikte, alternatieve woonruimte voorhanden. Verzoeker wijst erop dat de voor hem verwachte schade van de tijdelijke sluiting wat betreft zijn psychische gezondheid groter is dan het belang dat verweerder heeft om de rust in de omgeving tijdelijk te herstellen. Verzoeker vraagt om opschorting van de sluiting totdat een beslissing is genomen op het bezwaar.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Heeft verzoeker een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening?
5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. [1] De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar voor verzoeker evident sprake van is nu hij door de sluiting zijn woning niet zal kunnen gebruiken.
Bestaat aanleiding om de sluiting van de woning op te schorten?
6. Verweerder is naar eigen zeggen sinds 2024 op de hoogte van de overlast. Op 21 februari 2024 is verzoeker uitgenodigd voor een waarschuwingsgesprek, verzoeker is daar niet op ingegaan. Wel heeft er op 24 juni 2024 een gesprek plaatsgevonden met verzoeker en de GGD/GGZ. Op 23 januari 2025 heeft verweerder besloten om verzoeker vanwege de overlast een gedragsaanwijzing op te leggen. Deze maatregel is bij besluit van 5 november 2025 weer ingetrokken. Het gedrag van verzoeker is hem niet toe te rekenen en een last onder dwangsom is daarom geen passende maatregel, zo valt in de beslissing te lezen. Verweerder heeft vervolgens op 24 november 2025 het voornemen gestuurd de woning te willen sluiten op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet, en heeft dit besluit op 24 februari 2026 ook daadwerkelijk genomen.
7. De Afdeling heeft uitgelegd wanneer verweerder artikel 174a van de Gemeentewet kan inzetten in het geval van overlast. [2] Dat kan als aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens moet worden vastgesteld dat de gedragingen zich in de woning of op het daarbij behorende erf voordoen, er langdurige overlast is die zich met grote regelmaat voordoet en die maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen. Verder dient er sprake te zijn van verstoring van de openbare orde waardoor de veiligheid en de gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd. Van zodanige overlast is slechts sprake bij gedragingen die op zichzelf ernstig zijn. Deze uitleg van de Afdeling sluit aan bij wat de wetgever wilde toen artikel 174a in de Gemeentewet is opgenomen. [3]
8. Bij de beoordeling van de vraag of verweerder bevoegd is de woning te sluiten speelt dus of verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gedragingen en beschreven incidenten een ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid en gezondheid van de mensen in de omgeving van de woning. Dit moet blijken uit concrete en verifieerbare gegevens, waaruit blijkt dat de veiligheid en gezondheid van omwonenden in ernstige mate is bedreigd. [4]
9. Verweerder wijst erop dat de afgelopen twee jaar overleggen in verschillende vormen hebben plaatsgevonden met de GGZ, GGD, ambulant begeleider(s), politie en de betrokken familie van verzoeker. Desondanks, en ondanks de huidige ambulante begeleiding en de (depot)medicatie, is de ernstige overlast die verzoeker veroorzaakt niet vermindert, maar alleen maar toegenomen. Er is volgens verweerder sprake van langdurige, ernstige en structurele overlast met een onaanvaardbaar grote impact op het dagelijks leven van omwonenden. Omwonenden geven aan dat zij gebroken nachten hebben door het nachtelijk geschreeuw, dit heeft invloed op hun werk. Zij laten ook weten dat zij bij mooi weer niet meer in de tuin kunnen zitten, omdat verzoeker door de kleinste geluiden wordt getriggerd en dat verbaal afreageert op zijn buren. Uit de bevindingen van het buurtonderzoek blijkt dat omwonenden zich angstig en onveilig in hun eigen buurt voelen. Ouders laten hun kinderen niet meer buiten spelen in de buurt van de woning, omdat zij bang zijn dat verzoeker tegen hen gaat schreeuwen. Ook mensen op straat worden (verbaal) belaagd en uitgescholden. Eén keer heeft verzoeker op straat ook daadwerkelijk iemand bij de arm gepakt. Verweerder acht het (tijdelijk) gunnen van rust aan de buurtbewoners van groot belang. Een tijdelijke sluiting draagt bij aan het herstellen en bevorderen van een positief woon- en leefklimaat.
Verweerder heeft laten weten dat er vanuit de gemeente door zogeheten maatwerkfunctionarissen extra inspanningen zijn verricht om tijdelijke alternatieve huisvesting te vinden voor verzoeker gedurende de sluiting. Er is met verschillende vakantieparken en zorginstellingen contact gezocht. Op zitting is toegelicht dat een crisisplek is gevonden bij [zorginstantie 2] in [plaats], waar 24 uur per dag ambulante begeleiding beschikbaar is. Deze plek is vanaf 13 maart 2026 voorhanden, voor de volle sluitingsduur. Verweerder is bereid om de (hoge) kosten daarvan te dragen. Vanuit deze tijdelijke crisisplek kan dan volgens verweerder gezocht worden naar een meer permanente oplossing. Verweerder stelt hiermee ook tegemoet te komen aan de belangen die verzoeker naar voren brengt.
10. De gemachtigde, behandelaar, en de familie van verzoeker hebben op zitting toegelicht dat de mate van de overlast voor de buurt en de ernst van de situatie voor hen sinds kort pas echt duidelijk is geworden. De familie is inmiddels meer doordrongen van het feit dat de huidige situatie niet langer houdbaar is. Verzoeker zelf lijkt zich ook minder op zijn plek te voelen in zijn woning dan voorheen. Hij is tegenwoordig soms doelwit van treiterijen. De gemachtigde van verzoeker wijst erop dat de voorgestelde crisisplek in [plaats] gevonden is door de behandelaar van verzoeker, maar dat deze crisisplek eigenlijk niet passend en geschikt is. Het behelst namelijk een woongroep, dit terwijl verzoeker gelet op zijn ziektebeeld behoefte heeft aan een plek waar sprake is van een meer individuele vorm van opvang of woonruimte. Zij wijzen erop dat verzoeker een zeer kwetsbaar persoon is die bovendien slecht tegen veranderingen kan. Het risico bestaat volgens hen dat verzoeker door de tijdelijke sluiting of door opvang die niet passend is, zwaar ontregeld raakt, en mogelijk opnieuw in een psychose belandt. Dit kan onomkeerbare gevolgen voor de gezondheid van verzoeker met zich brengen.
11. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van langdurige en ernstige overlast. Duidelijk is dat verzoeker al lange tijd overlast veroorzaakt door zijn onvoorspelbare gedrag, hij vaak buiten staat te schreeuwen en zich richting anderen verbaal agressief uitlaat.
12. Echter, is de voorzieningenrechter alles overziend toch van oordeel dat de belangen van verzoeker bij de gevraagde voorziening in dit geval, en nu op dit moment, zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij het tijdelijk sluiten van de woning. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat hoewel zij heel goed begrijpt dat de impact van het gedrag van verzoeker op het veiligheidsgevoel van de buurtbewoners heel groot is, er in de bezwaarfase eerst nog goed in kaart kan worden gebracht in hoeverre de gezondheid van de bewoners wordt geschaad en hoe dit zich verhoudt tot het sluiten van de woning en de gezondheidsrisico’s voor verzoeker. Want hoewel de overlast zoals beschreven ernstig is, heeft verweerder op dit moment onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bij de gedragingen en beschreven incidenten gaat om een
ernstigebedreiging van de veiligheid en gezondheid van de mensen in de omgeving van de woning.
13. Daar komt bij dat de schorsing ook tot doel heeft om een meer geschikte opvangplek of alternatieve tijdelijke of permanente woonruimte voor verzoeker te vinden. Gelet op het feit dat er geen sprake meer is van een zorgmachtiging, zoals in het verleden, zal verzoeker op vrijwillige basis mee moeten werken aan het vinden van vervangende woonruimte of een opvangplek. Aangezien de situatie nu lijkt te escaleren en zijn eigen veiligheid ook steeds meer in het gedrang komt door de treiterijen aan zijn adres, kan de bezwaarfase worden gebruikt om verzoeker er vrijwillig toe te bewegen om naar andere geschiktere woonruimte te zoeken. Daarvoor acht de voorzieningenrechter het wel noodzakelijk verzoeker in te lichten over deze woningsluiting en hem heel duidelijk te maken dat de huidige situatie onhoudbaar aan het worden is.
14. Mocht het niet lukken om binnen afzienbare tijd een meer geschikte plek voor verzoeker te vinden, of wanneer de overlast die wordt veroorzaakt door verzoeker aantoonbaar verergert, dan kan het belang van verweerder bij een sluiting mogelijk alsnog zwaarder gaan wegen dan het belang van verzoeker om in zijn woning te blijven. Verweerder kan in dat geval vragen om opheffing van de voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat de woning van verzoeker niet mag worden gesloten, tot twee weken na de beslissing op het bezwaar van verzoeker.
15.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- schorst het besluit van 24 februari 2026 en het besluit van 3 maart 2026 tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2402, r.o. 7, en van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4697, r.o. 2.4.2.
3.Zie
4.Zoals eerder ook de voorzieningenrechter van rechtbank Limburg heeft overwogen op 1 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:11892, en de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland op 2 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:153.