Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3087

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/1802
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en urenbeperking

Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd na een ziekteperiode van meer dan 104 weken, maar het UWV heeft deze aanvraag afgewezen omdat zij volgens medisch en arbeidsdeskundig onderzoek 0% arbeidsongeschikt is. Eiseres betwist dit en stelt dat een verdergaande urenbeperking noodzakelijk is vanwege fysieke en psychische klachten.

De rechtbank beoordeelt het medisch onderzoek van het UWV als zorgvuldig en sluit aan bij de conclusies van de verzekeringsartsen. De beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst en de arbeidsdeskundige heeft passende functies vastgesteld die eiseres kan vervullen. De medische stukken die eiseres later heeft ingebracht, waaronder over een zich ontwikkelende nierinsufficiëntie, leiden niet tot een ander oordeel omdat deze aandoening op de datum van beoordeling nog niet aanwezig was.

De rechtbank concludeert dat de urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week passend is en dat er geen medische noodzaak is voor een verdere beperking of rustdagen tussen werkdagen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de WIA-uitkering blijft staan en eiseres geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiseres 0% arbeidsongeschikt is en de urenbeperking van vier uur per dag passend is.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1802

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.H.A.J. Slaats),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Eiseres heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA). Het UWV heeft de aanvraag afgewezen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daarvoor een aantal argumenten (beroepsgronden) aan. Aan de hand van deze argumenten beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag kon afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 9 januari 2024 een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juni 2024 afgewezen: het UWV heeft beslist dat eiseres per 29 maart 2024 geen WIA-uitkering kan krijgen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing en heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.1.
Op 29 oktober 2025 heeft eiseres medische informatie ingebracht, met het verzoek deze informatie voor te leggen aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) ter beoordeling.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en (via een digitale beeldverbinding) de gemachtigde van het UWV.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend en de verzekeringsarts B&B gevraagd om te reageren op de door eiseres ingediende stukken van 29 oktober 2025. Het UWV heeft gereageerd met een aanvullend verweerschrift en een nadere medische rapportage van de verzekeringsarts B&B van 22 november 2025. Eiseres heeft op 5 februari 2026 gereageerd op deze reactie en opnieuw medische stukken ingestuurd. De verzekeringsarts B&B heeft deze beoordeeld en daarover op 10 maart 2026 gerapporteerd.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een tweede zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een tweede zitting. [1]

De WIA

3. De WIA-uitkering is een uitkering voor mensen die door een ziekte of beperking niet (volledig) kunnen werken en daardoor minder verdienen dan voorheen. Mensen hebben in principe recht op een WIA-uitkering als zij minstens twee jaar – 104 weken – ziek zijn geweest en nog steeds arbeidsongeschikt zijn voor meer dan 35%. Dat betekent dat zij door hun ziekte of beperking niet meer dan 65% van hun oude loon kunnen verdienen.

Feiten

4. Eiseres werkte als medewerker keuken en bediening voor 14,75 uur per week tot 26 maart 2022. Op 1 april 2022 meldde zij zich ziek. Na het verstrijken van de wachttijd van 104 weken heeft zij een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit, genoemd onder het kopje ‘Procesverloop’.

Standpunten van partijen

5. De verzekeringsarts heeft eiseres onderzocht en geoordeeld dat eiseres verminderde mogelijkheden heeft om te werken door ziekte of gebrek. De beperkingen die eiseres heeft voor werk zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige van het UWV heeft vervolgens beoordeeld welke functies eiseres nog uit kan voeren. Eiseres is met haar (on)mogelijkheden geschikt geacht voor de functies Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), Productiemedewerker confectie, kleermaken (SBC-code 272042) en Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Het inkomen dat eiseres hiermee kan verdienen is vergeleken met het inkomen dat zij verdiende toen zij nog haar eigen werk deed. Hieruit volgt dat eiseres 0% arbeidsongeschikt is. Omdat iemand alleen in aanmerking komt voor een WIA-uitkering als diegene meer dan 35% arbeidsongeschikt is, komt eiseres volgens het UWV niet in aanmerking voor een WIA-uitkering en heeft het UWV de aanvraag afgewezen.
In de bezwaarfase is de verzekeringsarts B&B niet tot een ander standpunt gekomen. De arbeidsdeskundige B&B is wel tot een ander standpunt gekomen. De arbeidsdeskundige B&B heeft namelijk het maatmanuurloon opnieuw vastgesteld. Ook heeft de arbeidsdeskundige B&B de functie Productiemedewerker industrie vervangen door de functie Inpakker (handmatig) (SBC-code 111190). Het arbeidsongeschiktheidspercentage blijft 0%, dus het UWV blijft van mening dat de WIA-aanvraag terecht is afgewezen.
Ook in beroep stelt het UWV zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
5.1.
Eiseres voert aan dat ten onrechte geen verdergaande urenbeperking is opgenomen; de huidige urenbeperking van 4 uur per dag, 20 uur per week is onvoldoende. Eiseres kon het bestaande werk vanwege haar fysieke en psychische klachten en beperkingen niet voltijds en ook niet op aaneengesloten dagen verrichten. Eiseres had sterk wisselende dagen. Op preventieve gronden had daarom een verdergaande urenbeperking aangenomen moeten worden.

Beoordeling door de rechtbank

6. Bij de beoordeling van het beroep is van belang dat het UWV zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Dat kan anders zijn als eiseres aannemelijk maakt dat deze rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsequenties bevatten of onvoldoende zijn gemotiveerd. Om de inhoud en conclusies van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen aan te vechten, moet eiseres meer doen dan alleen stellen dat zij meer beperkt is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Een expertiserapport van een deskundige is hiervoor niet noodzakelijk. Wel is nodig dat eiseres (medische) informatie inbrengt die doet twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen, wat aanleiding kan geven voor het opdragen van nader onderzoek door het UWV en/of de benoeming van een deskundige.
6.1.
De rechtbank beoordeelt hierna eerst of het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Daarna zal de rechtbank de inhoudelijke medische beoordeling van het UWV toetsen.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
7. De rechtbank oordeelt dat het onderzoek van de verzekeringsartsen van het UWV voldoende zorgvuldig is geweest. Dat blijkt uit de onderzoeksactiviteiten die zijn verricht. De primaire verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd en eiseres gezien op het spreekuur van 7 mei 2024. Tijdens dit spreekuur heeft de verzekeringsarts eiseres vragen gesteld over haar gezondheid, klachten en medische voorgeschiedenis (anamnese), heeft de verzekeringsarts gekeken en geluisterd naar hoe eiseres zich gedraagt (observerend psychisch onderzoek) en heeft haar ook lichamelijk onderzocht.
De verzekeringsarts B&B heeft in bezwaar dossierstudie verricht, informatie opgevraagd bij de huisarts en was aanwezig bij de hoorzitting. De verzekeringsartsen hebben hiermee zorgvuldig gehandeld. De verzekeringsartsen hebben daarnaast duidelijk, begrijpelijk en zonder tegenstrijdigheden uitgelegd hoe zij tot hun beoordeling komen.
De medisch-inhoudelijke beoordeling
8. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inschatting van de beperkingen en de belastbaarheid van eiseres door de verzekeringsartsen. De rechtbank zal dat hierna uitleggen.
8.1.
Eiseres heeft fysieke en psychische klachten. Vanwege deze klachten heeft de primaire verzekeringsarts beperkingen opgenomen in de FML in alle rubrieken (1 (Persoonlijk functioneren), 2 (Sociaal functioneren), 3 (Fysieke omgevingseisen), 4 (Dynamische handelingen), 5 (Statische houdingen) en 6 (Werktijden). Zo zijn beperkingen opgenomen voor fysiek zwaar werk en is eiseres aangewezen op werk met structuur zonder mentaal stresserende factoren. Ook kan eiseres vier uur per dag werken, incidenteel vijf, en ongeveer 20 uur per week. Gelet op de klachten, diagnoses en dagverhaal van eiseres heeft zij namelijk een verhoogde recuperatiebehoefte [2] en dient rekening gehouden te worden met zware fysieke belasting.
8.2.
Eiseres stelt dat een verdergaande urenbeperking opgenomen moet worden. Eiseres vindt dat dit onder andere blijkt uit de door haar op 29 oktober 2025 ingestuurde medische stukken.
8.3.
Eiseres heeft in bezwaar hetzelfde gesteld en de verzekeringsarts B&B heeft gereageerd geen aanleiding te zien voor een verdergaande urenbeperking. Er is een urenbeperking opgenomen wegens een energetische indicatie, wegens de verhoogde recuperatiebehoefte. Eiseres was op de datum in geding – de datum die beoordeeld moet worden, 29 maart 2024 – redelijk actief en zij sliep, met hulp van slaapmedicatie, goed. Eiseres zou dan ook vier uur per dag moeten kunnen werken. Voor een rustdag tussen de werkdagen ziet de verzekeringsarts B&B geen medische noodzaak. Ook was er geen verminderde beschikbaarheid door behandeling op 29 maart 2024 omdat toen geen sprake was van specifieke behandelingen die veel tijd in beslag namen waarna eiseres moest recupereren.
8.4.
Eiseres heeft met een beroep op de medische stukken van 29 oktober 2025 en 5 februari 2026 aangevoerd dat de zich ontwikkelende nierinsufficiëntie nog niet was ontdekt op de datum in geding, maar al wel speelde. Uit de medische stukken blijkt volgens eiseres dat zij al langere tijd een aandoening heeft die leidt tot nierinsufficiëntie en vermoeidheid.
8.5.
De verzekeringsarts B&B geeft aan dat de medische stukken geen wijziging brengen in het standpunt dat geen verdergaande urenbeperking nodig is. De verzekeringsarts B&B schrijft dat eiseres op de datum in geding geen nierinsufficiëntie had. Daarom is er geen medische onderbouwing voor toegenomen vermoeidheidsklachten en geen reden voor een grotere urenbeperking. Dit maakt ook niet dat eiseres een rustdag nodig zou hebben tussen de werkdagen. Ook is er geen aanleiding voor een preventieve urenbeperking bij eiseres. Want eiseres heeft geen aandoening die gepaard gaat met een patroon van overschrijding van de eigen grenzen, zelfoverschatting of beperkt ziektebesef.
9. De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts B&B volgen. De verzekeringsarts B&B heeft goed uitgelegd dat een urenbeperking is aangenomen vanwege de vermoeidheidsklachten van eiseres, maar dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat eiseres op de datum in geding een verdergaande urenbeperking nodig zou hebben. De door eiseres ingebrachte medische informatie leidt bij de rechtbank niet tot twijfel aan dit standpunt, omdat daaruit, zoals de verzekeringsarts B&B terecht opmerkt, blijkt dat er op de datum in geding nog geen nierklachten waren. Dit volgt ook uit de medische stukken. Uit de verwijsbrief van de huisarts aan de nefroloog van 2 oktober 2024 blijkt namelijk dat de nierfunctie op dat moment niet afwijkend was. In de brief van de internist-nefroloog van 7 oktober 2025 staat ook dat de nierfunctie stabiel lijkt. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat uit de medische stukken blijkt dat haar nierfunctie op de datum in geding verminderd was waardoor vermoeidheidsklachten zijn ontstaan.
Dat eiseres vermoeidheidsklachten had op de datum in geding is de rechtbank duidelijk. Voor die vermoeidheidsklachten is ook de urenbeperking van vier uur per dag tot 20 uur per week opgenomen. Zo heeft eiseres iedere dag na vier uur werk 20 uur om te herstellen. Voor wat betreft de rustdag heeft de verzekeringsarts B&B laten weten dat hiervoor geen medische noodzaak vastgesteld kan worden op basis van de aanwezige problematiek. De rechtbank kan ook deze uitleg volgen en merkt op dat het oude arbeidspatroon – de werkdagen – niet uitmaken voor de beoordeling van de WIA-aanvraag. Eiseres is immers niet geschikt geacht voor haar eigen werk.
9.1.
De rechtbank oordeelt dan ook dat niet gebleken is dat de belastbaarheid van eiseres per de datum in geding verkeerd is ingeschat.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en haar aanvraag afgewezen blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. van Berkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Herstelbehoefte.