Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de minister van Financiën.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
kanvorderen. Artikel 6:38 van Pro het BW bepaalt dat wanneer geen termijn voor nakoming is bepaald de verbintenis direct opeisbaar is. Is wel een termijn voor nakoming bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van Pro het BW). Of al dan niet een termijn voor nakoming is bepaald, vloeit voort uit wat partijen zijn overeengekomen en uit wat volgt uit de wet, de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW Pro). Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht verlangt slechts dat sprake is van een voor 1 juni 2021 opeisbare schuld. Niet relevant is dus of een schuldeiser met een opeisbare vordering voor 1 juni 2021 ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet. Dat strookt ook met de bedoeling van de wetgever, die met de private schuldenregeling heeft beoogd om gedupeerden van de toeslagenaffaire die te kampen hadden met betalingsachterstanden en opeisbare schulden en dientengevolge mogelijke incassomaatregelen of de dreiging daarvan een nieuwe start te bieden.