ECLI:NL:RBZWB:2026:4080

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/2674
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 6:38 BWArt. 6:39 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet schuld bij Nationale Nederlanden alsnog overnemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen

Eiser, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht de minister om overname van een restschuld bij Nationale Nederlanden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister wees dit verzoek af omdat de schuld volgens hem niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De rechtbank stelde vast dat eiser sinds 19 maart 2021 een IVA-uitkering ontvangt en dat de onverschuldigd betaalde uitkering van de Hiaatverzekering daardoor direct opeisbaar was. Nationale Nederlanden had de schuld pas later opgeëist, maar dat doet niet af aan de opeisbaarheid.

De rechtbank concludeerde dat de schuld aan alle voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht voldoet en dat de minister de schuld ten onrechte niet heeft overgenomen. Omdat de minister de hoogte van de restschuld nog niet heeft vastgesteld, wordt hem de gelegenheid gegeven dit te doen. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

De uitspraak benadrukt het belang van de opeisbaarheid van de schuld en de toepassing van de hardheidsclausule, die eiser ook aanvoerde vanwege zijn schrijnende persoonlijke omstandigheden. De rechtbank achtte de opeisbaarheid doorslaggevend en gaf de minister de kans het besluit te herstellen binnen zes weken.

Uitkomst: De minister moet de schuld bij Nationale Nederlanden alsnog overnemen en de hoogte van de restschuld vaststellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2674 WHT T

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.B. Borsboom),
en

de minister van Financiën.

Procesverloop

1. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst toegezonden met de bedoeling om in aanmerking te komen voor overname van zijn private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Op de schuldenlijst staan twee schulden, waarvan een bij Nationale Nederlanden en een bij de Interbank.
1.1.
Met het besluit van 23 september 2024 (primair besluit) heeft de bestuurder van SBN, namens de Belastingdienst/Toeslagen, aangegeven dat de schulden niet voor overname in aanmerking komen. De schuld bij Nationale Nederlanden wordt niet overgenomen omdat deze schuld is ontstaan na 31 mei 2021 (code 16). De schuld aan de Interbank wordt niet overgenomen omdat deze schuld een financieel product is van een bank en er geen achterstallige betalingen waren (code 4). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van overname van de schuld bij Nationale Nederlanden.
1.2.
Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de schuld bij Nationale Nederlanden pas op 21 september 2021 is teruggevorderd. Omdat de schuld op 1 juni 2021 niet opeisbaar was, is niet voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b, van de Wht, zodat de schuld niet voor vergoeding in aanmerking komt. De minister ziet ook geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. N. Tursucu namens de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
2. De werkgever van eiser heeft bij Nationale Nederlanden een WGA Hiaat Aanvullingszekerheid Uitgebreid verzekering (de Hiaatverzekering) afgesloten, die aan een werknemer bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een periodieke uitkering verleent die de WGA-uitkering aanvult tot 70% van het vroegere maatmanloon.
2.1.
In mei 2015 is eiser uitgevallen voor werk. Het UWV heeft aan eiser een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend per 17 mei 2017 en aansluitend een WGA-vervolguitkering met ingang van 17 mei 2019. Eiser ontvangt daarnaast van Nationale Nederlanden een uitkering uit de Hiaatverzekering met ingang van 17 mei 2019. Tegen de door het UWV toegekende WGA-vervolguitkering heeft eiser bezwaar gemaakt en daarna beroep ingesteld. Na de tussenuitspraak van de rechtbank [1] heeft het UWV bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 19 maart 2021 vastgesteld dat eiser per 17 mei 2019 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en heeft aan hem een IVA-uitkering toegekend.
2.2.
Eiser heeft Nationale Nederlanden bij e-mailbericht van 18 april 2021 in kennis gesteld van de toegekende IVA-uitkering. Bij e-mail van 26 mei 2021 heeft Nationale Nederlanden aan eiser medegedeeld dat vanwege de toegekende IVA-uitkering geen sprake is van een WGA-uitkering en dat in dit geval de Hiaatverzekering niet hoeft te worden aangesproken. Bij brief van 21 september 2021 heeft Nationale Nederlanden medegedeeld dat eiser geen recht heeft op een uitkering uit de Hiaatverzekering en dat de over de periode van 17 mei 2019 tot en met 30 september 2021 onverschuldigd betaalde uitkering (totaal € 61.337,75) wordt teruggevorderd. Eiser heeft van dit bedrag een deel terugbetaald en voor het overige bedrag met Nationale Nederlanden een betalingsregeling getroffen.
2.3.
Op 25 februari 2024 heeft eiser de minister gevraagd om overname van de restschuld bij Nationale Nederlanden, ter hoogte van € 28.066,-. Het beroep ziet op dit
verzoek.
Toetsingskader
3. In artikel 4.1, tweede lid, van de Wht is bepaald onder welke voorwaarden een privaatrechtelijke geldschuld voor compensatie in aanmerking komt. Voldaan moet zijn aan de volgende voorwaarden:
a. de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. de schuld is niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
Het derde lid van dit artikel stelt vervolgens limitatieve nadere eisen aan deze schulden om voor overname in aanmerking te komen. Het vierde lid bepaalt de uitzonderingen op de schulden die voldoen aan het tweede en derde lid. Als aan voornoemde vereisten is voldaan en er geen sprake is van een uitzondering zoals opgenomen in het vierde lid, dan komt de schuld voor overname in aanmerking.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Gronden eiser
4. Eiser voert in beroep aan dat met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 19 maart 2021 al vast is komen staan dat hij met terugwerkende kracht geen recht had op een uitkering van de Hiaatverzekering. Vanaf dat moment is de schuld ontstaan en was deze opeisbaar volgens eiser. Dat Nationale Nederlanden de te veel betaalde uitkering niet voor 1 juni 2021 heeft opgeëist, is niet aan eiser te wijten.
Tevens doet eiser een beroep op de hardheidsclausule in artikel 9.1 van de Wht. Volgens eiser is sprake van bijzondere omstandigheden die reden geven om af te wijken van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Eiser wordt zodanig belemmerd in het maken van een nieuwe start dat toepassing van artikel 4.1 van de Wht gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De persoonlijke omstandigheden van eiser en zijn gezin hebben geleid tot een schrijnende situatie en dienen volgens eiser gekwalificeerd te worden als niet door de wetgever voorziene omstandigheden.
Was de schuld bij Nationale Nederlanden voor 1 juni 2021 opeisbaar?
5. Eén van de voorwaarden voor de overname van een schuld op grond van artikel 4.1 van de Wht, is dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Partijen verschillen van mening over de opeisbaarheid van de schuld bij Nationale Nederlanden. De minister is van mening dat de schuld op 1 juni 2021 niet opeisbaar was, omdat de hoogte van de schuld en de betalingstermijn nog niet was vastgesteld. Eiser stelt dat de schuld en de opeisbaarheid is ontstaan op het moment dat het UWV bij besluit van 19 maart 2021 aan eiser een IVA-uitkering heeft toegekend.
5.1.
Voor de beantwoording van de vraag of en op welk moment een schuld, waarvan om overname is verzocht, opeisbaar is geworden, zijn de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) bepalend. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) [2] is een schuld in de regel opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming
kanvorderen. Artikel 6:38 van Pro het BW bepaalt dat wanneer geen termijn voor nakoming is bepaald de verbintenis direct opeisbaar is. Is wel een termijn voor nakoming bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van Pro het BW). Of al dan niet een termijn voor nakoming is bepaald, vloeit voort uit wat partijen zijn overeengekomen en uit wat volgt uit de wet, de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW Pro). Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht verlangt slechts dat sprake is van een voor 1 juni 2021 opeisbare schuld. Niet relevant is dus of een schuldeiser met een opeisbare vordering voor 1 juni 2021 ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet. Dat strookt ook met de bedoeling van de wetgever, die met de private schuldenregeling heeft beoogd om gedupeerden van de toeslagenaffaire die te kampen hadden met betalingsachterstanden en opeisbare schulden en dientengevolge mogelijke incassomaatregelen of de dreiging daarvan een nieuwe start te bieden.
5.2.
In dit geval gaat het om een schuld aan Nationale Nederlanden die ziet op een Hiaatverzekering. Eiser heeft de polisvoorwaarden van deze Hiaatverzekering overgelegd. De rechtbank stelt vast dat in de polisvoorwaarden niet vermeld staat binnen welke termijn een vordering tot terugbetaling van ten onrechte uitbetaalde uitkering opeisbaar is. Wel is in artikel 2.7.2. vermeld dat de uitkering eindigt op de dag waarop het recht op een uitkering krachtens de WGA eindigt. Uit dit artikel kan worden herleid dat eisers recht op een uitkering, vanwege het besluit van het UWV van 19 maart 2021 met terugwerkende kracht, is geëindigd op 17 mei 2019 en dat de uitkering achteraf gezien onverschuldigd is betaald.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser Nationale Nederlanden bij e-mailbericht van 18 april 2021 in kennis heeft gesteld van de bij het besluit van 19 maart 2021 toegekende IVA-uitkering. Op dat moment is voldaan aan artikel 6:38 van Pro het BW en is de onverschuldigd betaalde uitkering van de Hiaatverzekering direct opeisbaar. Nationale Nederlanden kon de schuld dus per direct, en daarmee voor 1 juni 2021, opeisen. Dat Nationale Nederlanden pas op 21 september 2021 een brief heeft gestuurd met daarin de hoogte van de schuld en een termijn voor terugbetaling, maakt het voorgaande niet anders. Deze betalingstermijn volgt namelijk niet uit de wet of de polisvoorwaarden en is evenmin (vooraf) tussen partijen overeengekomen.
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de geldschuld bij Nationale Nederlanden voldoet aan de andere voorwaarden in artikel 4.1 van de Wht om voor compensatie in aanmerking te komen.
5.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de schuld aan Nationale Nederlanden ten onrechte niet heeft overgenomen op grond van artikel 4.1 van de Wht. De schuld voldoet aan alle voorwaarden en komt daarom voor overname in aanmerking. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.
5.6.
Eiser heeft een deel van de schuld bij Nationale Nederlanden terugbetaald voordat hij een aanvraag tot overname heeft ingediend. In zijn aanvraag heeft hij verzocht om overname van de restschuld ter hoogte van € 28.066,-. Ter zitting is duidelijk geworden dat de minister de hoogte van de ten tijde van de aanvraag openstaande restschuld nog niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Dit betekent dat de rechtbank nog niet kan komen tot een finale geschilbeslechting. Daarom ziet de rechtbank aanleiding de minister in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen. De minister moet daarvoor alsnog de hoogte van de te compenseren restschuld vaststellen.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
6.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal de minister daartoe in de gelegenheid stellen. De minister kan dit doen door het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar of door het indienen van een nadere motivering.
6.2.
De rechtbank zal de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen bepalen op zes weken. Als de minister hiervan geen gebruik wil maken, dan dient de minister dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als de minister wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. Indien nodig zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.
6.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij op het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt de minister in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen
binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van
hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;
- draagt de minister op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek
te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 13 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1
1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;
d. de bij een geldschuld bijkomende kosten;
e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en
f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;
d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming; en
e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend.
Artikel 9.1, tweede lid Hardheidsclausule
Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 2.15b, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
(…)

Voetnoten

2.Zie onder andere de uitspraken van de AbRS van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101 en van 18 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2026:918.