Huurders [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] huurden een zelfstandige woonruimte van [gedaagde] van april 2018 tot februari 2024 en betaalden een waarborgsom van €900. Na beëindiging van de huur betaalde verhuurder de borg niet terug en stelde dat de woonruimte niet in oorspronkelijke staat was opgeleverd, waardoor hij de borg wilde verrekenen met herstelkosten.
De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder de borg binnen veertien dagen na het einde van de huurovereenkomst had moeten terugbetalen, tenzij sprake was van aansprakelijkheid van de huurders voor schade. De verhuurder had het gehuurde echter tijdens de eindinspectie op 26 februari 2024 geaccepteerd zonder oplevergebreken te vermelden, en had daarmee afstand gedaan van zijn recht op schadevergoeding, behalve voor verborgen gebreken.
De na de eindinspectie door verhuurder gemelde gebreken waren zichtbaar tijdens de inspectie en werden niet vermeld in het eindrapport. De verhuurder kon daarom geen aanspraak maken op verrekening met de borgsom. De huurders kregen de borgsom van €900 terugbetaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 april 2024 en incassokosten van €135. De verhuurder werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.