ECLI:NL:RBZWB:2025:1679

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
24 maart 2025
Zaaknummer
C/02/ 411484 FA RK 23-3159
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 815 RvArt. 3:170 BWArt. 3:172 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling en boedelverdeling na duurzaam ontwricht huwelijk

Partijen zijn gehuwd sinds 2010 en hebben drie minderjarige kinderen. De man en vrouw hebben gezamenlijk het verzoek tot echtscheiding ingediend vanwege een duurzaam ontwricht huwelijk. Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat partijen geen ouderschapsplan konden overeenkomen, maar zij bereikten alsnog overeenstemming over de zorg- en contactregeling voor de kinderen.

De rechtbank verklaart de vrouw ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding en wijst het verzoek tot echtscheiding toe. Het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen wordt vastgesteld bij de vrouw. De man krijgt contact met de kinderen volgens een zorgregeling waarbij hij de jongste twee kinderen om de veertien dagen een weekend ontvangt en de oudste één keer per maand contact heeft.

Verder is overeenstemming bereikt over de kinderbijdrage, waarbij de man maandelijks €50 per kind aan de vrouw betaalt. De rechtbank stelt ook de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast, waarbij onder meer de woning aan de vrouw wordt toegewezen met ontslag van hoofdelijke aansprakelijkheid van de man, en de overwaarde van €125.000 op een derdenrekening wordt gestort. Diverse bankrekeningen, de oldtimer, een eenmanszaak en aandelen zijn verdeeld zoals overeengekomen. Een geschilpunt over een opname van €10.000 na de peildatum wordt door de rechtbank afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing door de man.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijf kinderen bij vrouw vastgesteld, zorgregeling en boedelverdeling vastgesteld conform overeenstemming partijen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummers: C/02/ 411484 FA RK 23-3159 (echtscheiding) en C/02/ 426094 FA RK 24-4009 (boedel)
beschikking betreffende echtscheiding d.d. 18 februari 2025
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. N.P.M. Planthof te Goes ,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W.E. de Wit- de Witte te Goes .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 5 juli 2023 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenverzoeken, met bijlagen;
- het op 26 september 2023 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
- het op 24 oktober 2023 ontvangen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken;
- het F9-formulier van 23 april 2024 met een aanvullend verzoek van mr. de Wit- de Witte, met bijlagen;
- het op 29 juli 2024 ontvangen verweerschrift naar aanleiding van aanvullend verzoek, tevens houdende zelfstandige verzoeken van mr. Planthof, met bijlagen;
- het op 12 september 2024 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek van mr. de Wit- de Witte, met bijlagen;
- het F9-formulier d.d. 23 januari 2025 van mr. de Wit-de Witte, met bijlagen;
- het F9-formulier d.d. 24 januari 2025 van mr. de Wit-de Witte, met bijlagen;
- het F9-formulier d.d. 24 januari 2025 van mr. Planthof, met bijlagen.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 4 februari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen de raad.
1.3. Na te noemen [minderjarige 1] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en op 30 januari 2025 een gesprek gehad met de (kinder)rechter. De (kinder)rechter heeft tijdens de mondelinge behandeling op 4 februari 2025 kort samengevat naar voren gebracht wat de minderjarige heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] 2010 in de gemeente Goes met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
2.2.
Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011 (hierna: [minderjarige 1] ),
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013 (hierna: [minderjarige 2] ),
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2019 (hierna: [minderjarige 3] ).

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. uit te spreken de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] 2010 te Goes ;
II. het nog door de man te overleggen ouderschapsplan aan de te dezen te geven beschikking te hechten en te bepalen dat de inhoud van het ouderschapsplan deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking;
III. de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen op de wijze zoals beschreven onder kantlijnnummer 7 tot en met 25 van onderhavig verweerschrift naar aanleiding van aanvullend verzoek strekkende tot verdeling ontbinding huwelijksgoederengemeenschap tevens houdende zelfstandig verzoek strekkende tot verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.
3.2.
De vrouw voert verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandig alsook aanvullend verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. De echtscheiding uit te spreken tussen partijen, gehuwd op [datum] 2010 te Goes .
II. Te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie minderjarige kinderen aan de vrouw, bij vooruitbetaling, een nog nader door de rechtbank vast te stellen bijdrage moet betalen.
III. Te bepalen dat de kinderen hoofdverblijf hebben bij de vrouw.
IV. Het nog over te leggen ouderschapsplan te hechten aan de ten deze te geven beschikking en daarbij te bepalen dat de overige bepalingen in het ouderschapsplan deel uitmaken van de te geven beschikking.
V. Het convenant aan te hechten aan de te geven beschikking en daarbij te bepalen dat de inhoud deel uitmaakt van de beschikking dan wel subsidiair indien geen convenant wordt overgelegd de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen overeenkomstig de nog in te dienen verzoeken door de vrouw en haar daartoe de gelegenheid te bieden.
VI. Te bepalen dat de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap plaatsvindt zoals verzocht onder punt 4 voornoemd dan wel de wijze van verdeling vast te stellen.
VII. Tevens de man te gelasten zijn medewerking te verlenen aan de notariële overdracht van de woning aan [adres] aan de vrouw.
VIII. Een notaris te benoemen, ten overstaan van wie, voor gezamenlijke rekening van partijen, ieder voor de helft, een akte van verdeling en levering wordt opgesteld.
IX. Te bepalen dat bij gebreke van de medewerking van de man binnen een maand na dagtekening van de beschikking aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om namens de man de akte van levering en indien en voor zover noodzakelijk – een akte van verdeling te laten opmaken alsmede te ondertekenen en verder ter zake alle feitelijke rechtshandelingen te verrichten, die nodig zijn voor het realiseren van de eigendomsoverdracht c.q. de levering van de woning aan de vrouw dan wel subsidiair voor het geval de vervangende toestemming wordt afgewezen, te bepalen dat de man een niet voor matiging vatbare dwangsom verbeurt van € 1.000,= per dag of gedeelte van een dag dat hij niet meewerkt aan de onder VII genoemde notariële levering, welke boete wordt verbeurd na betekening van de beschikking.
3.3.
De man voert verweer tegen de zelfstandige, aanvullende, verzoeken van de vrouw.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
4.2.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het hen, ondanks diverse pogingen, niet is gelukt een ouderschapsplan op te stellen. Zij worden het over een paar (kleine) punten niet eens. Zo gaat de oudste minderjarige niet meer naar de man. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is aangetoond dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een door beide partijen opgesteld ouderschapsplan wordt overgelegd. Ingevolge artikel 815 lid 6 Rv Pro kan in dat geval op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen alsnog overeenstemming kunnen bereiken over de regelingen ten aanzien van de minderjarigen. De rechtbank is van oordeel dat afdoende op andere wijze is voorzien in het ontbreken van een ouderschapsplan, te weten door alsnog overeenstemming te bereiken. De rechtbank verklaart de vrouw derhalve ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding. Op de bereikte overeenstemming zal hierna inhoudelijk worden ingegaan.
Inhoudelijke beoordeling in de zaak met zaaknummer C/02/ 411484 FA RK 23-3159
Echtscheiding
4.3.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
4.4.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen. Het verzoek van partijen om het nog door over te leggen ouderschapsplan aan de beschikking te hechten, zal worden afgewezen nu een dergelijk plan – zoals hiervoor is overwogen – door partijen niet is overgelegd.
Hoofdverblijf
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn.
4.6.
Nu niet is gebleken dat het belangen van de minderjarigen zich tegen voornoemde overeenstemming verzetten, zal de rechtbank dit vastleggen in het dictum van deze beschikking.
Zorgregeling
4.7.
Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, na advies van de Raad, alsnog overeenstemming bereikt ten aanzien van de verzoeken omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Partijen zijn het volgende overeengekomen:
  • Tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geldt een zorgregeling waarbij de minderjarigen een weekend in de 14 dagen bij de man verblijven. De man en [minderjarige 1] hebben contact met elkaar in ieder geval één zondag in de maand van 17:00 uur tot 20:00 uur. De man haalt [minderjarige 2] en [minderjarige 3] het ene weekend op vrijdag om 17:00 uur op bij de vrouw en brengt hen op zondag om 19:00 uur weer terug. Het andere weekend haalt de man [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wederom op vrijdag om 17:00 uur op, maar brengt hen dan op zondag om 17:00 uur terug naar de vrouw, waarna de man [minderjarige 1] ophaalt om invulling te gaan geven aan hun contactmoment. De man brengt [minderjarige 1] vervolgens diezelfde zondag om 20:00 uur weer terug bij de vrouw.
  • Partijen regelen jaarlijks in onderling overleg uiterlijk op 1 februari de verdeling van de vakanties. Dit jaar zullen de vakanties uiterlijk op 10 februari 2025 in onderling overleg worden verdeeld.
4.8.
De rechtbank zal overeenkomstig de door partijen bereikte overeenstemming beslissen, nu niet is gebleken dat de belangen van de minderjarige zich hiertegen verzetten.
Kinderbijdrage
4.9.
Partijen hebben - na een korte schorsing tijdens de mondelinge behandeling - (alsnog) overeenstemming bereikt omtrent de kinderbijdrage. Zij zijn overeengekomen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen en bedrag van € 50,= per maand per kind, met ingang van de datum van de datum van deze beschikking, te weten 18 februari 2025.
4.10.
Gelet op de overeenstemming tussen partijen, die de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Inhoudelijke beoordeling in de zaak met zaaknummer C/02/ 426094 FA RK 24-4009
4.11.
Partijen zijn tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling ter zake de verdere verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap het navolgende overeengekomen:
de echtelijke woning
- de voormalig echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats] zal aan de vrouw zal worden toebedeeld. De op de woning rustende [hypotheek] met kenmerk [nummer] , zal, onder vrijwaring van de man, geheel door de vrouw, als eigen schuld, worden gedragen en afgelost. Deze toebedeling vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de man zal worden ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypotheek. Partijen zijn daarnaast overeengekomen dat het bedrag aan overwaarde van de woning dat aan de man toekomt wordt vastgesteld op € 125.000,=, welk bedrag door de vrouw in depot wordt gestort op de derdenrekening van de notaris. De kosten van de eigendomsoverdracht (levering) van de woning bij de notaris komen voor rekening van de vrouw;
de privébankrekeningen
- de privébankrekeningen van partijen worden – na verdeling van de saldi bij helfte –voortgezet door degene op wiens naam de desbetreffende rekening staat. Dit betekent voor de verdeling van het banksaldi, waarbij, conform overeenstemming partijen, wordt uitgegaan van de beginsaldi per peildatum 5 juli 2023, het volgende:
o Aan de vrouw wordt toebedeeld het saldo per peildatum op de betaalrekening met [rekeningnummer 1] , te weten € 250,87,=. De vrouw is in dit kader gehouden € 125,44 te vergoeden aan de man.
o Aan de man wordt toebedeeld het saldo per peildatum op de betaalrekening met [rekeningnummer 2] , te weten € 44,20. De man is in dit kader gehouden € 22,10 te vergoeden aan de vrouw.
o Aan de man wordt toebedeeld het saldo per peildatum op de betaalrekening met [rekeningnummer 3] , te weten € 812,54. De man is in dit kader gehouden € 406,27 te vergoeden aan de vrouw;
o Aan de vrouw worden toebedeeld de saldi van de aan de [betaalrekening] gekoppelde spaarrekeningen [kenmerk 1] en [kenmerk 2] , te weten ten aanzien van de spaarrekening met kenmerk [kenmerk 1] € 300,25 en ten aanzien van de spaarrekening met kenmerk [kenmerk 2] € 2.641,10, aldus totaal € ‭2.941,35. De vrouw is in dit kader gehouden € 1.470,68 te vergoeden aan de man‬;‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬
o Het saldo op spaarrekening [rekeningnummer 5] wordt toebedeeld aan de man. Het saldo op de peildatum van 5 juli 2023 bedroeg € 0,=, waardoor er terzake deze rekening niks te verdelen valt.
- De gezamenlijke betaalrekening [rekeningnummer 6] wordt voortgezet op naam van de vrouw. Het saldo wordt bij helfte verdeeld. Aan de vrouw wordt toebedeeld het beginsaldo per peildatum 5 juli 2023 van deze rekening, te weten
€ 579,11 . De vrouw is in dit kader gehouden € 289,56 te vergoeden aan de man.
- Resumerend betekent dit dat de vrouw uit hoofde van overbedeling uit hoofde van de bankrekeningen totaal is gehouden een bedrag van (€ 125,44 + € 1.470,68 + 289,56) – (€ 22,10 + € 406,27) = € 1.457,31 te vergoeden aan de man;
de oldtimer en het kozijn met glas
- de oldtimer, een Opel Commodore, wordt toegedeeld aan de man en het kozijn met glas wordt toebedeeld aan de vrouw, zonder verdere verrekening;
de scooter
- de verkoopopbrengst van de scooter van € 500,= wordt aan de man toegedeeld, onder de verplichting voor de man de helft hiervan, ofwel € 250,= aan de vrouw te voldoen;
de [eenmanszaak]
- de activa van de [eenmanszaak] partijen genoegzaam bekend, worden toegedeeld aan de vrouw, met bepaling dat de schulden verbonden aan de van die eenmanszaak deel uitmakende activa voor rekening komen van de vrouw en dat zij deze met uitsluiting van de man als eigen schulden zal voldoen. Het saldi van de zakelijke rekening van de vrouw met [rekeningnummer 7] zal bij de activa van de eenmanszaak van de vrouw worden betrokken;
de aandelen van [B.V.]
- de aandelen van [B.V.] worden toegedeeld aan de man, zonder verrekening van waarde met de vrouw. De man voldoet de notariële kosten dienaangaande;
schulden belastingdienst
- voor zover er op naam van de man staande schulden zijn aan de belastingdienst per peildatum 5 juli 2023, zijn beide partijen ieder voor de helft draagplichtig voor deze schulden. De man zal de vrouw nader informeren omtrent de omvang, hoogte en het ontstaan van de schulden door het ter beschikking stellen van onderliggende belastingaanslagen en overige financiële bescheiden;
finale kwijting
- na voldoening van het voorgaande verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting.
4.12.
De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
4.13.
Partijen hebben de inboedel in onderling overleg en zonder nadere verrekening verdeeld, zodat de rechtbank op dit punt geen beslissing meer hoeft te nemen.
4.14.
De man heeft zijn verzoeken met betrekking tot zijn lening bij dhr. en mevr. [achternaam] ingetrokken, waardoor de rechtbank deze verzoeken niet meer kan beoordelen en daarom zal afwijzen.
4.15.
Het enige punt dat tussen partijen in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap nog in geschil is betreft het al dan niet in de huwelijksgemeenschap vallen van de opname van de gezamenlijke spaarrekening [rekeningnummer 8] door de man ná de peildatum van € 10.000,=. De man stelt hiertoe dat dit geld was bestemd voor kosten voor de dakbedekking van de voormalig echtelijke woning. De vrouw betwist dit en stelt hier niks van af te weten.
4.16
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de man het bedrag van € 10.000,= heeft opgenomen ná de peildatum. Voor zover de man met zijn stelling dat dit bedrag is aangewend voor het dak van de gezamenlijke woning, heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 3:172 BW Pro is de rechtbank van oordeel dat dit door de man, mede gezien de betwisting
van de vrouw, onvoldoende is onderbouwd. De man heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de door de man gestelde werkzaamheden hebben plaatsgevonden en evenmin, zo dit het geval is geweest, dat het hier handelingen betrof dienende tot het normaal onderhoud of behoud van de woning als bedoeld in artikel 3:170 BW Pro. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit standpunt en zal uitgaan van een saldo op de peildatum van € 11.747,49, welke bij helfte wordt verdeeld.
4.17.
Gezien het vorenstaande, waaronder de door partijen bereikte overeenstemming, zal de rechtbank op onderstaande wijze beslissen.

5.De beslissing

In de zaak met zaaknummer C/02/ 411484 FA RK 23-3159
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2010 in de gemeente Goes met elkaar gehuwd;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2019,
hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal zoals weergegeven onder rechtsoverweging 4.7;
wijst het meer of anders verzochte af.
In de zaak met zaaknummer C/02/ 426094 FA RK 24-4009
gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap op de wijze als weergegeven onder rechtsoverwegingen 4.11 tot en met 4.16 van deze beschikking;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, en, in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.