ECLI:NL:CBB:1998:AA3410
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.R. Winter
- C.M. Wolters
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid College van Beroep voor het bedrijfsleven bij beroep tegen besluit over vergoeding verlies participatie
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de vraag welke instantie bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen een besluit van de Nederlandsche Bank N.V. over de gedeeltelijke afwijzing van een verzoek tot vergoeding van verlies op een participatie in een onderneming. Appellante, een particuliere participatiemaatschappij, had haar participatie in het bedrijf Z N.V. vóór 1 april 1994 gemeld en verzocht om vergoeding van haar verlies.
De Nederlandsche Bank, als toezichthouder, wees het verzoek gedeeltelijk af. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna de Nederlandsche Bank het bestreden besluit nam. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd is dit beroep te behandelen, dan wel de rechtbank Rotterdam.
Het College overweegt dat de bevoegdheid van het College slechts kan voortvloeien uit een wettelijke grondslag, zoals artikel 9 van Pro de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ. Het bestreden besluit is echter gebaseerd op de Garantieregeling particuliere participatiemaatschappijen 1981 en het Intrekkingsbesluit, die niet onder de Kaderwet vallen. Bovendien is het besluit niet afkomstig van de Minister van Economische Zaken, maar van de Nederlandsche Bank handelend namens de Minister van Financiën.
Daarom verklaart het College zich onbevoegd en zendt het beroepschrift door naar de arrondissementsrechtbank te Rotterdam. Tevens wordt geen partij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitgesproken op 17 november 1998 door de genoemde rechters.
Uitkomst: Het College verklaart zich onbevoegd en zendt het beroepschrift door naar de rechtbank Rotterdam.