ECLI:NL:CBB:2000:AA8422
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- M.J. Kuiper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdstip investeringsverplichting voor energie-investeringsaftrek
Appellante verzocht om een verklaring dat haar investering in een energiebesparend toegangssysteem kwalificeert voor de energie-investeringsaftrek op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Minister van Economische Zaken weigerde deze verklaring omdat de investering te laat was aangemeld, namelijk niet binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting.
De kern van het geschil betreft het tijdstip waarop de investeringsverplichting is aangegaan. Appellante stelde dat de overeenkomst pas tot stand kwam op 15 april 1997, toen zij de opdrachtbevestiging schriftelijk ondertekende. De Minister stelde echter dat de verplichting al op 20 maart 1997 ontstond, toen de bestelling per telecom werd gedaan en een totaalprijs werd overeengekomen.
Het College stelde vast dat de opdrachtbevestiging van 24 maart 1997 de bestelling van 20 maart bevestigt en dat er al facturen waren gedateerd 1 en 3 april 1997, vóór de ondertekening van de opdrachtbevestiging. Dit duidt erop dat de investeringsverplichting eerder is aangegaan dan door appellante betoogd.
Het College concludeerde dat appellante niet had aangetoond dat de verplichting pas op 15 april 1997 was aangegaan en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen kostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat de investeringsverplichting op 20 maart 1997 is aangegaan en de aanmelding te laat was.