Voor wat betreft de hiervoor gememoreerde overgangsregeling heeft verweerder er op gewezen dat deze gold voor onderzoek dat aantoonbaar op 1 maart 1996 in uitvoering was.
Daarom kon C, gelet op het tijdstip van haar aanvraag, van die regeling profiteren.
Tenslotte heeft verweerder gesignaleerd dat in de bijlage bij het toelatingsbesluit van 1 september 2000 nog is uitgegaan van de risico- beoordeling voor het ruimere toepassingsgebied dat C oorspronkelijk heeft aangevraagd. Daardoor kan het zijn dat een
aantal gesignaleerde manco's in het dossier ten onrechte in het toelatingsbesluit zijn blijven staan. Verweerder meent dat dergelijke manco's in het kader van de bezwaarprocedure op
vrij eenvoudige wijze weer rechtgezet zullen kunnen worden.
5. Het standpunt van partij C
C meent alle door verweerder gevraagde gegevens te hebben overgelegd. Zij meent er op te kunnen vertrouwen dat verweerder zijn toetsing op correcte wijze heeft uitgevoerd. In ieder geval acht C het geen taak van A te onderzoeken of het door haar aangeleverde dossier wel compleet was.
Verder merkt C op het vreemd te vinden dat het middel Proplant in 40 verschillende landen is toegelaten en dat zijdens verzoekster in geen van deze landen ooit actie werd ondernomen.
Tenslotte wordt zijdens C opgemerkt dat het hier om een aanvraag uit 1995 gaat, die uiteindelijk in september 2000 tot een toelating leidt. Het zou dan extra pijnlijk zijn als deze toelating via een gerechtelijke procedure weer ongedaan wordt gemaakt.
6. De beoordeling van het geschil
6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8: 81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6.2 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoekster overweegt de president als volgt.
Ingevolge het bepaalde bij artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Blijkens vaste jurisprudentie van het College accentueert het begrip ''rechtstreeks'' in voormelde definitie
dat er tussen het belang, waarin betrokkene zich getroffen acht, en het besluit dat daaraan debet zou zijn, een onlosmakelijk en direct verband moet bestaan.
Een zodanig onlosmakelijk en direct verband tussen het belang van verzoekster en het besluit tot toelating van het middel Proplant is hier, naar voorlopig oordeel van de president, gelet op het navolgende, aanwezig.
In het licht van hetgeen verzoekster ter zake - onbestreden - heeft aangedragen acht de president voorshands voldoende aannemelijk dat verzoekster en C op de Nederlandse markt voor bestrijdingsmiddelen gebaseerd op de werkzame stof propamocarb-hydrochloride elkaars concurrenten zijn. Verwacht kan worden dat de introductie van het
middel Proplant direct van invloed zal zijn op het marktaandeel van verzoekster.
In dat licht bezien is evenzeer aannemelijk dat het financiële belang van verzoekster wordt geraakt indien haar concurrent C een middel op de markt kan brengen waarvan zou kunnen
blijken dat daarbij in strijd met de wet gebruik is gemaakt van de gegevens behorende tot het gesloten dossier ofwel dat verweerder daarbij ten onrechte heeft nagelaten C te verplichten bepaalde gegevens over te leggen, die verzoekster ten laste van zeer hoge
kosten in het kader van de procedure tot verdere toelating van een reeds eerder toegelaten vergelijkbaar middel - met verzoekster als toelatingshouder - wel heeft moeten overleggen.
Naar voorlopig oordeel kan verzoekster derhalve in haar bezwaren en het verzoek om voorlopige voorziening worden ontvangen.