ECLI:NL:CBB:2001:AA9497

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
2 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 99/523A
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.M. Wolters
  • H.C. Cusell
  • M.J. Kuiper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet op de registeraccountantsArt. 52 Wet op de registeraccountantsArt. 54f Wet op de registeraccountantsArt. 54g Wet op de registeraccountants
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid klacht wegens schending ne bis in idem-beginsel in tuchtzaak registeraccountant

Appellant diende een klacht in tegen betrokkene bij de raad van tucht voor registeraccountants, die deze klacht ongegrond verklaarde. Appellant stelde beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College oordeelde dat de klacht gebaseerd was op dezelfde feiten als een eerdere, onherroepelijke tuchtbeslissing waarbij dezelfde betrokkene was betrokken.

Het College stelde vast dat appellant hierdoor andermaal werd vervolgd voor een feit dat reeds onherroepelijk was beslist, wat in strijd is met het ne bis in idem-beginsel dat ook in het tuchtrecht geldt. Daarom had de raad van tucht de klacht niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Het beroep van appellant werd gegrond verklaard, de uitspraak van de raad van tucht vernietigd en de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Het College zag af van inhoudelijke beoordeling van de klacht. De uitspraak is gebaseerd op de artikelen 40, 52, 54f en 54g van de Wet op de registeraccountants.

Uitkomst: De klacht van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van het ne bis in idem-beginsel.

Uitspraak

AM
College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 99/523A 2 januari 2001
20010
Uitspraak in de zaak van:
A, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam(hierna: de raad van tucht), gewezen op 28 maart 1999, onder nummer R172.
1. De procedure
Bij brief, verzonden op 23 april 1999, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 28 maart 1999 genomen beslissing op een klacht, op 1 oktober 1998 ingediend door appellant tegen B (hierna: betrokkene).
Bij een op 11 juni 1999 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.
De raad van tucht heeft bij brief van 17 juni 1999 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.
Namens betrokkene is op 19 juli 1999 een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 21 november 2000. Bij die gelegenheid is appellant in persoon verschenen en heeft betrokkene zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde prof. mr H. Beckman, advocaat te Amsterdam.
2. De bestreden tuchtbeslissing
Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.
3. De ontvankelijkheid van de klacht Bij beschikking van 15 september 1998 heeft het College bepaald dat de behandeling van
de beroepen in de zaken met de nummers AWB 97/826, AWB 97/827, AWB 97/1172 en AWB 98/241 wordt be‰indigd. Deze beroepen waren ingesteld door C B.V., waarvan appellant indertijd directeur/enig aandeelhouder was, tegen uitspraken van de raad van
tucht waarbij klachten van appellant tegen onder meer betrokkene ongegrond waren verklaard. De behandeling werd be‰indigd in verband met de ontbinding van de rechtspersoon C B.V. nadat het faillissement van die rechtspersoon was opgeheven bij gebrek aan baten. Het College overwoog in die beschikking voorts dat (thans) appellant niet in de lopende procedure als appellant kon worden aangemerkt, aangezien een nieuwe partijstelling in strijd zou komen met een goede procesorde. Daarbij is opgemerkt dat appellant desgewenst zelf klachten - met mogelijk dezelfde inhoud - zou kunnen indienen bij de raad van tucht.
Appellant heeft vervolgens exact dezelfde klachten tegen betrokkene ingediend als door C B.V. was gedaan. De raad van tucht heeft deze klachten - onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak en naar de beschikking van het College in de zaken van C B.V. -
ongegrond verklaard. Het College is evenwel van oordeel dat de raad van tucht appellant in die klachten niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
Te dien aanzien wordt, ambtshalve, het volgende overwogen.
Vaststaat dat de thans bestreden beslissing van de raad van tucht is gebaseerd op dezelfde feiten en omstandigheden als welke aan de eerdere tuchtbeslissing in de C B.V. zaken ten grondslag zijn gelegd. Laatstvermelde beslissing is, zoals uit het voorafgaande blijkt, rechtens onaantastbaar geworden.
Het vorenstaande noopt tot de slotsom dat betrokkene andermaal is vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de raad van tucht onherroepelijk is beslist.
De bestreden tuchtbeslissing verdraagt zich derhalve niet met het ook in het tuchtrecht geldende " ne bis in idem" beginsel.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant reeds hierom gegrond is en dat de uitspraak van de raad van tucht moet worden vernietigd. Aan beoordeling van de middelen van appellant komt het College niet toe.
Het College ziet termen om de zaak zelf af te doen. Uit het hogeroverwogene vloeit voort dat de klacht van appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Deze uitspraak berust op de artikelen 40, 52, 54f en 54g van de Wet op de registeraccountants.
4. De beslissing
Het College:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de raad van tucht;
- verklaart de klacht van appellant niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2001.
w.g. C.M. Wolters w.g. W.F. Claessens