4. Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep onder meer het volgende tegen het
bestreden besluit aangevoerd.
Het lagere aantal kalveren op de peildatum 1 april 1997 vond zijn oorzaak in de aflevering
van afgemeste kalveren op 24 maart 1997 en 26 maart 1997. De op 1 april 1997 aanwezige
297 kalveren zijn vervolgens op 1 april 1997 en 2 april 1997 afgeleverd. Op 2 april 1997
waren op het landbouwbedrijf van appellante geen vleeskalveren meer aanwezig.
Appellante bevond zich derhalve op 1 april 1997 midden in het afleveringsproces van de
voltallige populatie vleeskalveren op haar landbouwbedrijf. Appellante is van mening dat
de situatie waarin zij zich op 1 april 1997 bevond voor de toekenning van de
tegemoetkoming op gelijke wijze dient te worden behandeld als de situatie dat er op haar
bedrijf op 1 april 1997 in het geheel geen kalveren aanwezig waren. Uit de toelichting bij
de Regeling blijkt immers dat verweerder uitdrukkelijk rekening wenste te houden met de
specifiek aan de vleeskalversector inherente situatie van tijdelijk leegstand van de stallen,
in dier voege dat de tegemoetkoming ook in geval van leegstand op de peildatum wordt
verstrekt voor het aantal kalveren dat in een eerdere periode van het jaar 1997 in deze
stallen werd gehouden. De door appellante ingediende vordering is derhalve volledig in
overeenstemming met de doelstellingen van de Regeling. Het "all in, all out" systeem
houdt namelijk niet in dat grotere aantallen kalveren precies gelijktijdig worden afgeleverd.
Om organisatorische redenen wordt zo'n aflevering bij grote aantallen in de regel over een
aantal dagen gespreid.
5. De beoordeling van het geschil
Ter zitting heeft verweerder, gelet op de uitspraak van het College van 12 mei 1999,
geregistreerd onder AWB 97/1634, zijn standpunt prijs gegeven dat bij de uitvoering van
de Regeling geen sprake zou zijn van het nemen van besluiten door verweerder.
Gelet hierop stelt het College vast dat verweerder het bezwaar van appellante ten onrechte
niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
Met betrekking tot de zaak ten gronde overweegt het College ten overvloede als volgt.
Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de
(gedeeltelijke) leegstand van haar bedrijf op het tijdstip van de landbouwtelling 1997.
Verweerder had voor haar bedrijf moeten uitgaan van de situatie in week 9.
Blijkens de in rubriek 2 van deze uitspraak geciteerde toelichting bij de Regeling heeft
verweerder uitdrukkelijk een voorziening beogen te treffen in verband met de in de
kalverhouderij gehanteerde productiesystematiek van "all in, all out", als gevolg waarvan
het mogelijk is dat op het tijdstip van de landbouwtelling (de peildatum) op een bedrijf in
het geheel geen kalveren aanwezig zijn. Appellante heeft onweersproken gesteld dat in
haar geval de afgemeste dieren niet alle op hetzelfde tijdstip zijn geleverd en dat de
peildatum precies in de overgangsperiode van "all in" naar "all out" viel.
Met voormeld temporeel element in de overgang van een volledige bezetting naar
volledige leegstand op een bedrijf is door verweerder in de Regeling niet uitdrukkelijk
rekening gehouden. Gelet op de getroffen voorziening voor leegstand en de daarvoor
gegeven motivering is het College evenwel van oordeel dat een bedrijf dat zich op de
peildatum bevindt in de fase tussen volledige bezetting en volledige leegstand, voor de
toepassing van de Regeling moet worden gelijk gesteld met een bedrijf, waarop ten tijde
van de landbouwtelling geen vleeskalveren werden gehouden. Voor een dergelijk bedrijf is
derhalve de situatie in week 9 bepalend. Door in het geval van appellante de situatie op het
bedrijf op het tijdstip van de landbouwtelling bepalend te achten, heeft verweerder de
Regeling derhalve onjuist toegepast.
Gelet op het vorenoverwogene moet worden beslist als volgt.