ECLI:NL:CBB:2001:AB0307
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen intrekking voederareaal vanwege niet tijdige beschikbaarheid perceel
Appellante, een landbouwbedrijf, maakte bezwaar tegen het besluit van de Minister van Landbouw om haar oppervlakte voederareaal op nul te stellen, waardoor zij geen recht had op dierlijke premies. Het perceel was op 31 maart 1998 nog beplant met appel- en perenbomen, waardoor het niet voldeed aan de voorwaarden voor voederareaal zoals gesteld in Europese verordeningen.
Verweerder stelde dat appellante niet tijdig een beroep op overmacht had gedaan, aangezien zij niet binnen tien werkdagen na het ontstaan van de overmachtssituatie LASER daarvan in kennis had gesteld. Appellante voerde aan dat de vertraging te wijten was aan de afwijzing van haar aanvraag voor een rooibijdrage, waardoor zij niet eerder kon rooien en het perceel beschikbaar stellen.
Het College oordeelde dat het perceel op de beslissende datum niet beschikbaar was voor rundveehouderij en dat het beroep op overmacht faalde vanwege het niet tijdig melden. Ook werd geoordeeld dat de situatie geen overmacht betrof, maar een ondernemerskeuze. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot intrekking van het voederareaal wordt ongegrond verklaard.