ECLI:NL:CBB:2001:AB0309
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkheid aanvraag subsidie akkerbouw wegens te late indiening
Appellant diende een aanvraag in voor subsidie op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, waarvan de uiterste indieningsdatum was vastgesteld op 14 mei 1999. Verweerder verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk omdat deze pas op 16 juli 1999 was ontvangen, wat ruim na de deadline was. Appellant stelde dat hij de aanvraag tijdig had verzonden samen met andere formulieren, maar kon dit niet aantonen met bewijs.
Tijdens de zitting werd bevestigd dat de MINAS-aangifte niet in dezelfde enveloppe was verzonden en appellant kon slechts een getuige aandragen die aanwezig was bij het invullen en verzenden van het formulier. Verweerder kon ondanks intern onderzoek geen ontvangst van de aanvraag vóór de deadline vaststellen.
Het College oordeelde dat appellant verantwoordelijk is voor tijdige indiening en het aantonen daarvan. De enkele stelling dat het formulier samen met andere formulieren was verzonden, volstaat niet. Het beroep op overmacht faalde omdat appellant geen onvoorziene, abnormale omstandigheden had aangetoond die tijdige indiening onmogelijk maakten.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het besluit van verweerder in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de subsidieaanvraag wegens te late indiening is ongegrond verklaard.