ECLI:NL:CBB:2001:AB0542
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering inschrijving als werkzoekende wegens ontbrekende verblijfsvergunning
Appellant, met de Turkse nationaliteit, werd op 19 juli 1999 door de Regionale Directie voor de Arbeidsvoorziening Zuidelijk Noord-Holland geweigerd als werkzoekende ingeschreven te worden omdat hij niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning zonder beperkingen voor arbeid. Appellant diende hiertegen bezwaar in, dat bij besluit van 27 september 1999 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Tijdens de procedure bleek dat appellant op 18 augustus 1999 zich als werkzoekende had ingeschreven op grond van een verblijfsvergunning die was afgegeven onder de zogenoemde "witte-illegalenregeling". De verweerster betwijfelde echter of appellant nog belang had bij voortzetting van het beroep, aangezien hij inmiddels was ingeschreven.
Het College oordeelde dat het beroep niet niet-ontvankelijk verklaard kon worden vanwege het ontbreken van belang, omdat de mededeling over de inschrijving pas vlak voor de zitting was gedaan en appellant niet aanwezig was. Juridisch stelde het College vast dat appellant ten tijde van het bestreden besluit niet beschikte over een verblijfsdocument zoals vereist in artikel 69 van Pro de Arbeidsvoorzieningswet 1996, waardoor het recht op inschrijving ontbrak.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het College zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door voorzitter H.C. Cusell op 1 maart 2001.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van inschrijving als werkzoekende wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning zonder arbeidsbeperkingen.