ECLI:NL:CBB:2001:AB0751
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om ontheffing vaccinatieverbod mond- en klauwzeer voor dierentuinen
Op 21 maart 2001 werd de eerste uitbraak van mond- en klauwzeer (MKZ) in Nederland vastgesteld. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen en aangesloten dierentuinen verzochten de minister om ontheffing van het verbod op vaccinatie tegen MKZ, met de voorwaarde dat gevaccineerde dieren niet gedood zouden worden. Na het uitblijven van een besluit werd een voorlopige voorziening gevraagd bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Verzoeksters stelden dat de Europese Richtlijn 85/511/EEG, die het gebruik van MKZ-vaccins verbiedt, niet van toepassing is op dierentuinen omdat deze zich richt op veehouderijbedrijven. Ook wezen zij op de mogelijkheid van noodvaccinatie en het belang van bescherming van bedreigde diersoorten in dierentuinen. Verweerder betoogde dat de richtlijn en het nationale Besluit gebruik sera en entstoffen het vaccinatieverbod algemeen voorschrijven en dat alleen de Europese Commissie bevoegd is noodvaccinaties toe te staan.
De president van het College oordeelde dat er sprake was van een fictieve weigering van verweerder om te beslissen, maar dat de richtlijn en nationale regelgeving het verbod op vaccinatie tegen MKZ zonder uitzondering voorschrijven. De mogelijkheden voor noodvaccinatie zijn strikt geregeld en niet van toepassing op preventieve vaccinatie in dierentuinen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak benadrukt dat de bescherming van de MKZ-vrije status van de EU en de belangen van de veehouderij zwaarder wegen dan het verzoek tot ontheffing voor dierentuinen. De zaak wordt beschouwd als een Europese aangelegenheid waarbij de Commissie en het Permanent Veterinair Comité een rol spelen in het bepalen van uitzonderingen.
Uitkomst: Het verzoek om ontheffing van het vaccinatieverbod tegen mond- en klauwzeer voor dierentuinen wordt afgewezen.