ECLI:NL:CBB:2001:AB0880
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- B. Verwayen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen doden gevaccineerde evenhoevige dieren bij mond- en klauwzeerbestrijding
In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 31 maart 2001 uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de Rijksdienst voor keuring van Vee en Vlees om alle evenhoevige dieren op het bedrijf van verzoekster te doden na vaccinatie tegen mond- en klauwzeer.
Verzoekster betoogde dat het besluit onrechtmatig is wegens strijd met de Europese Richtlijn 85/511/EEG en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, omdat de dieren niet als besmet of verdacht in de zin van de Richtlijn kunnen worden aangemerkt en vaccinatie voldoende zou zijn. Tevens stelde zij dat het beleid disproportioneel is en dat zij bereid is de dieren te isoleren.
De president van het College oordeelde dat het besluit van 27 maart 2001 binnen de wettelijke en Europese kaders valt. De dieren zijn terecht als verdacht aangemerkt, en de combinatie van vaccinatie en doding is toegestaan en noodzakelijk geacht om verspreiding van het virus te voorkomen. De rechter toetst het beleid marginaal en ziet geen kennelijke onredelijkheid. Het verzoek om schorsing van het besluit wordt daarom afgewezen.
De uitspraak benadrukt de ruime beoordelingsvrijheid van de overheid bij het bestrijden van besmettelijke dierziekten en bevestigt dat noodvaccinatie in combinatie met preventieve ruiming een toegestane maatregel is in het kader van mond- en klauwzeerbestrijding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot doden van gevaccineerde evenhoevige dieren wordt afgewezen.