ECLI:NL:CBB:2001:AB0909
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- B. Verwayen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ruimen verdachte dieren wegens mond- en klauwzeer
Op 30 maart 2001 heeft de Directeur van de Rijksdienst voor keuring van Vee en Vlees besloten dat de koeien van verzoeker als verdachte dieren van mond- en klauwzeer worden aangemerkt en dat deze dieren gedood moeten worden ter voorkoming van verspreiding van het virus. Verzoeker betwistte dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de dieren terecht als verdacht zijn aangemerkt en of het besluit tot ruimen in overeenstemming is met de Europese Richtlijn 85/511/EEG. Verzoeker stelde dat zijn dieren geen klinische verschijnselen vertonen en dat de stal op een geïsoleerde locatie ligt, waardoor het besluit niet gerechtvaardigd zou zijn.
De president van het College oordeelde dat, gelet op de familiebanden en de afstand tot het besmette bedrijf, er voldoende reden is om de dieren als verdacht aan te merken. Daarnaast weegt het belang van het voorkomen van verdere verspreiding van het virus zwaarder dan het belang van verzoeker om het besluit op te schorten. De Richtlijn biedt minimummaatregelen, maar sluit verdergaand optreden niet uit. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot ruimen van de koeien is afgewezen.