4. Het standpunt van appellante
Appellante heeft bij het aanvullend beroepschrift onder meer het volgende tegen het
bestreden besluit aangevoerd.
" Ruim nadat de nieuwe vennootschappen waren opgericht, de bouwgrond voor
de nieuwe bedrijfshuisvesting was aangekocht, boot en huis waren verkocht en
de subsidieaanvraag was ingediend, werd H.P.T.C. benaderd (.)
door Ambi. Omdat de financi‰le situatie bij Ambi desastreus was en een
faillisement niet te voorkomen was - de bank dreigde de financiering van
Ambi stop te zetten - werd aan H.P.T.C. de mogelijkheid geboden de
activa/passiva van Ambi voor ? 1,-- over te nemen.
(.)
In een presentatie over de gehele gang van zaken op het gemeentehuis te
Lelystad, waar van de zijde van het Ministerie aanwezig was de heer Holtes, is
door H.P.T.C. de overname van activa/passiva heel stellig besproken.
Bovendien merkt H.P.T.C. op dat tijdens een werkbezoek van de medewerkers
van het Ministerie aan de nieuwbouw van H.P.T.C. de activa/passiva-transactie
zonder enig voorbehoud uit de doeken is gedaan.
(.)
De activa/passiva-transactie door H.P.T.C. vond mitsdien plaats ruim na de
indiening van de subsidieaanvraag en over die transactie is mitsdien meerdere
malen gesproken met de afdeling economische zaken van de gemeente
Lelystad en het Ministerie van Economische Zaken.
(.)
In de eerste plaats merkt H.P.T.C. op dat de Premieregeling Stimulering
Ontwikkeling Lelystad 1988 in geen van haar artikelen en evenmin in haar
toelichting spreekt over het cre‰ren van nieuwe arbeidsplaatsen. Het artikel
spreekt over "premie verlenen terzake van het cre‰ren van arbeidsplaatsen".
Ook uit de toelichting bij artikel 10, tweede lid, onder b, volgt geenszins dat de
PSOL- regeling uitsluitend van toepassing is wanneer er nieuwe
arbeidsplaatsen worden gecre‰erd.
(.)
Bovendien merkt H.P.T.C. op dat de voor haar nadelige gevolgen van het
besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Dit geldt in het bijzonder wanneer H.P.T.C. gehouden zou blijven tot restitutie
van de verleende verschotten ad totaal ? 180.000,-- over te moeten gaan.
(.)
Wanneer bekend zou zijn dat het cre‰ren van een artikel 1639aa BW-situatie
door de activa-passiva transactie tot gevolg zou hebben dat de subsidieaanvraag
zou worden ingetrokken en reeds ontvangen voorschotten zouden moeten
worden terugbetaald, in dat geval zouden E (.) gewacht hebben totdat het
personeel van Ambi-oud in het kader van een faillissementssituatie formeel
ontslagen zou zijn, waarna diezelfde werknemers in dienst genomen zouden
zijn door H.P.T.C. . Ook in dat kader is het besluit van de staatssecretaris in
strijd met een behoorlijke belangenafweging, en, gelet op de nadelige gevolgen
van het besluit voor H.P.T.C., onevenredig in verhouding tot het met het
besluit te dienen doel.
(.)
Bovendien is het besluit van de staatssecretaris aangaande de restitutieplicht in
strijd met het vertrouwensbeginsel.
Artikel 13, lid 3 van de Premieregeling stimulering ontwikkeling Lelystad
1988 bepaalt, dat uiterlijk binnen acht maanden na de indiening van het
verzoek tot vaststelling van de premie een besluit moet zijn genomen en aan de
verzoeker moet zijn medegedeeld. Hetzelfde geldt met betrekking tot de
mogelijke restitu- tie. In dat onderhavige geval is het verzoek op 24 januari
1995 gedaan en heeft de staatssecretaris eerst op 22 december 1997, bijna twee
jaar na het verzoek, het besluit genomen.
Deze termijnoverschrijding is dermate groot dat H.P.T.C. het in strijd met het
vertrouwensbeginsel acht wanneer thans tot restitutie van reeds ontvangen
premies moet worden overgegaan. H.P.T.C. mocht erop vertrouwen dat de
premieaanvraag definitief zou worden goedgekeurd en dat mitsdien ook geen
verplichting zou ontstaan tot terugbetaling van reeds ontvangen voorschotten. "