ECLI:NL:CBB:2001:AB1150
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen ruimingsbesluiten mond- en klauwzeer Kootwijkerbroek
Op 29 maart 2001 heeft de Minister van Landbouw besluiten genomen waarbij dieren op de bedrijven van verzoekers in Kootwijkerbroek als verdacht van mond- en klauwzeer werden aangemerkt en maatregelen zoals vaccinatie en ruiming werden opgelegd. Verzoekers dienden bezwaarschriften in en verzochten om een voorlopige voorziening om de tenuitvoerlegging van deze besluiten te schorsen.
Verzoekers stelden dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat in de regio Deventer-Apeldoorn-Zwolle een minder rigoureuze aanpak werd gehanteerd, waarbij runderen niet direct werden geruimd maar eerst gevaccineerd. Zij betoogden dat de bevoegdheid tot ruiming slechts bestond voor bestrijding van zeer besmettelijke dierziekten en dat de maatregelen vooral handelsbelangen dienden.
De president oordeelde dat de bedrijven van verzoekers binnen een risicogebied van twee kilometer van het primaire besmette bedrijf liggen, vergelijkbaar met de gebieden waar ruiming wel plaatsvindt. De verschillende aanpak in de driehoek Deventer-Apeldoorn-Zwolle was gemotiveerd door specifieke risico-inschattingen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde voorshands. Ook het argument dat handelsbelangen de doorslag gaven werd verworpen, omdat deze belangen meegewogen werden maar niet leidend waren.
Gelet op de spoedeisendheid en belangenafweging werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Kosten werden niet toegewezen. De beslissing is genomen in lijn met Europese richtlijnen en nationale wetgeving ter bestrijding van mond- en klauwzeer.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ruimingsbesluiten wordt afgewezen.