ECLI:NL:CBB:2001:AB1466
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvullende schadevergoeding preventieve ruiming varkensbedrijf
Appellant, eigenaar van een varkensbedrijf dat preventief werd geruimd vanwege de uitbraak van klassieke varkenspest in 1997, stelde beroep in tegen de beslissing van de Staatssecretaris van Landbouw om geen hogere aanvullende schadevergoeding toe te kennen dan de normbedragen voor vermeerderingsbedrijven. Verweerder had het bedrijf op basis van registratiegegevens van de Gezondheidsdienst voor Dieren aangemerkt als vermeerderingsbedrijf en niet als subfok- of basisfokbedrijf, waardoor appellant geen hogere normbedragen ontving voor de subfokzeugen.
Het geschil betrof de uitleg en toepassing van artikel 91 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd), waarin een discretionaire bevoegdheid is toegekend voor het vergoeden van bijzondere schade. Verweerder hanteerde beleidsregels waarbij alleen fokvarkensbedrijven een hogere aanvullende vergoeding krijgen vanwege de langere opstarttijd en investeringen, terwijl vermeerderingsbedrijven met beperkte fokzeugen dit niet krijgen.
Het College oordeelde dat verweerder binnen de grenzen van redelijke beleidsbepaling is gebleven, dat de registratiegegevens van de GD een redelijke basis vormden voor de bedrijfstypering en dat appellant onvoldoende gegevens had aangeleverd om een afwijkende classificatie aannemelijk te maken. Ook werd geoordeeld dat het beleid niet in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur of het verbod van détournement de pouvoir.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een hogere aanvullende schadevergoeding wordt ongegrond verklaard.