Appellant voert aan, dat hij al vanaf 1990 een van de maatschap te onderscheiden bedrijf voert. In 1991 hield hij al stieren in dit bedrijf. Daarom ziet hij niet in hoe verweerder kan volhouden, dat zijn bedrijf van de maatschap, die in zijn huidige vorm pas sinds 1993 bestaat, zou zijn afgesplitst. Er is sprake van een volledig aparte bedrijfsvoering, alsof de bedrijven niet op één plaats gevestigd waren.
In de maatschap speelt appellants moeder wel degelijk een actieve rol. Ondanks haar leeftijd is zij in verschillende opzichten bij het functioneren van de maatschap betrokken. Met de stierenmesterij van appellant heeft zij echter geen bemoeienis.
Het feit, dat appellant de huurovereenkomst met betrekking tot de schuur niet bij de AID-controle over kon leggen, maar deze pas later heeft toegezonden, is niet van belang. Deze eis is pas in 1998 van kracht geworden en de overeenkomst is zeer kort na indiening van de aanvraag, maar ruim voor het controlebezoek gesloten.
Appellant koopt het voer voor de stieren voornamelijk van derden; incidenteel betrekt hij dit ook van de maatschap. Dat wordt dan apart verrekend.
Appellant wijst erop, dat bij het besluit van 23 januari 1999 niet dezelfde gronden zijn aangevoerd als bij het nu bestreden besluit.
Nu zowel in de jaren vóór 1998 als in 1999 stierenpremie is toegekend, ziet appellant niet in, waarom hij over 1998 niet voor zodanige premie in aanmerking zou komen.
5. De beoordeling van het geschil
Het College stelt allereerst vast, dat verweerders besluit van 16 december 1998 geen helder inzicht geeft in de redenering, die verweerder tot afwijzing van de aanvraag gebracht heeft.
Blijkens het verslag van de hoorzitting bestond ook in die fase van de procedure bij appellant nog onduidelijkheid daarover. Appellant is echter de gelegenheid geboden na de hoorzitting nog stukken in te leveren en in een brief van 26 mei 1999 heeft hij zijn visie nog eens schriftelijk aan de hoorcommissie uiteengezet.
In het bestreden besluit heeft verweerder een uitgebreide uiteenzetting gegeven van de factoren, die in zijn besluitvorming een rol hebben gespeeld. Het College ziet gelet op alle omstandigheden van het geval geen aanleiding om te oordelen, dat appellant door de genoemde onvolkomenheid zodanig benadeeld is in zijn procespositie, dat op die grond tot vernietiging van het bestreden besluit zou moeten worden overgegaan.
Met betrekking tot de door appellant aangevoerde argumenten overweegt het College, dat deze niet weg kunnen nemen, dat de maatschap en appellants individuele bedrijf op hetzelfde adres en dezelfde locatie gevestigd zijn en dat alle daar gehouden dieren - gelet op de leeftijd van appellants moeder - toch in hoofdzaak door appellant verzorgd zullen worden.
Het feit dat appellant na reeds jaren ter plaatse stieren gehouden te hebben, in 1998 een huurcontract van de maatschap verkregen heeft, waarbij overigens de hoogte van de te betalen huur niet is vastgesteld, acht het College niet van belang. Het laat vooral zien, dat de scheiding tussen de beide bedrijfsvoeringen met name een administratieve betekenis gegeven kan worden.
Al hetgeen appellant verder heeft aangevoerd, heeft het College niet tot de conclusie kunnen leiden, dat verweerder er ten onrechte van uit gaat dat appellant ter plaatse met op onderdelen beperkte steun van zijn moeder één bedrijf voert. Het feit, dat binnen die bedrijfsvoering elementen bestaan, die voor rekening van appellant individueel komen en elementen, die voor rekening van de maatschap komen, dwingt geenszins tot de conclusie dat ter plaatse twee verschillende producenten een eigen bedrijf voeren.
Appellant was er reeds voor de indiening van de aanvraag in 1998 van op de hoogte, dat verweerder, anders dan in eerdere jaren, zich vragen stelde over de verhouding tussen de beide steunaanvragen voor dezelfde bedrijfslocatie. Verweerder had hem daarover immers in mei 1998 al schriftelijk benaderd.
Van een zo onverwachte koerswending van verweerder dat sprake zou zijn van strijd met het vertrouwensbeginsel kan - wat daar overigens ook van zij - reeds daarom niet gesproken worden.