4. Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.
De afwijzende beslissing op de BZB-aanvraag van appellante moet onrechtmatig worden geacht. Ten tijde van het nemen van dit besluit hanteerde verweerder het beleid, dat iedere afgezette kilogram zuur product bewezen diende te worden aan de hand van per product gespecificeerde bewijsstukken, zoals facturen en afleveringsbonnen. Die benaderingswijze leverde niet slechts voor appellante problemen op.
Verweerder is pas tot een andere wijze van beoordeling overgegaan, nadat hem tijdens de behandeling ter zitting van het beroep in een drietal vergelijkbare BZB-zaken duidelijk werd dat het College de door verweerder aan het bewijs van de afgeleverde hoeveelheden zuur product gestelde eisen te zwaar achtte. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder niet alleen voormelde drie zaken, doch ook andere BZB-zaken - waaronder de zaak van appellante - op andere wijze beoordeeld, in die zin dat voor de bepaling van de afgeleverde hoeveelheden werd uitgegaan van productiegegevens, waarbij rekening werd gehouden met een zeker verliespercentage.
Naar de opvatting van appellante valt uit het feit dat verweerder de wijze van beoordeling van BZB-aanvragen heeft heroverwogen af te leiden, dat verweerder tot de kennelijke conclusie is gekomen dat zijn eerder terzake gevoerde beleid onjuist was.
Dit betekent dat zelfs indien appellante alle later door haar geproduceerde stukken reeds bij haar aanvraag zou hebben gevoegd, die aanvraag bij gebrek aan bewijs van de afgeleverde hoeveelheden zou zijn afgewezen.
Bovendien heeft verweerder ten onrechte nagelaten naar aanleiding van de wel bij de aanvraag gevoegde stukken nadere informatie bij appellante op te vragen.
Met betrekking tot de bij de aanvraag gevoegde stukken stelt appellante dat het door verweerder bij brief van 10 augustus 1999 overgelegde dossier, zoals dat voorlag ten tijde van het nemen van het besluit van 7 april 1992 onvolledig is. Appellante stelt dat zij destijds naast de door verweerder in dit verband overgelegde stukken ook een schematisch overzicht van melkstromen in 1990, een oproepformulier landbouwtelling 1990, op
2 april gedagtekende verklaringen van opgenomen voorraden, een brief van COZ met een afrekening van juli 1991, overboekingscijfers geproduceerde melk over de maanden januari tot en met maart 1991, alsmede een folder en diverse facturen van materialen ter bereiding en verpakking van zuivelproducten aan verweerder heeft doen toekomen. Met betrekking tot het melkstromenschema wijst appellante in dit verband op aantekeningen, die door haar toenmalige boekhouder naar aanleiding van een telefoongesprek d.d. 14 april 1992 met verweerders ministerie op een afschrift van het besluit van 7 april 1992 zijn gemaakt. Daarin wordt onder meer melding gemaakt van een "aangeleverd produktieschema", zodat moet worden geconcludeerd dat dit in het oorspronkelijke dossier aanwezig was.
Appellante wijst er in dit verband voorts op dat in het kader van de bezwaarprocedure door verweerder bij brief van 27 april 1992 gevolg is gegeven aan haar verzoek om toezending van de bij de aanvraag behorende stukken. Zij betwijfelt om die reden of verweerder nog wel over het volledige oorspronkelijke dossier beschikt.
Bovendien vormden de door appellante bij haar aanvraag overgelegde gegevens met betrekking tot de hoeveelheden geproduceerde melk en de specificaties van cijfers van melk ten behoeve van de productie van kaas, yoghurt, karnemelk/boter en kwark, anders dan eerder werd aangenomen, niet slechts een interne boekhouding. Met deze administratie voldeed appellante immers aan een haar ingevolge de Landbouwkwaliteitswet en het Heffingsreglement COZ opgelegde verplichting. De productiegegevens van appellante liggen bovendien ten grondslag aan de bij de aanvraag overgelegde registratie door het productschap voor zuivel van de consumentenleveringen van appellante in de heffingsperiode 1990/1991. Verweerder had ten tijde van het nemen van de primaire beslissing op de BZB-aanvraag kunnen en moeten weten dat de overgelegde gegevens van appellante niet slechts interne doeleinden dienden en in ieder geval nadere informatie over die gegevens moeten vragen.
Op grond van het vorenstaande concludeert appellante dat het primaire besluit op haar aanvraag wel degelijk onrechtmatig is, zodat verweerder gehouden is de door appellante als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden.
5. Het nadere standpunt van verweerder
Verweerder ontkent ten stelligste dat de door appellante bij haar brieven van
28 oktober 1999 en 1 november 1999 overgelegde stukken bij de aanvraag waren gevoegd. Veel van deze stukken bevinden zich in het geheel niet in het bij verweerder aanwezige dossier van appellante. Het schematisch overzicht van de melkstromen is wel in het bezit van verweerder, doch in het gedeelte van het dossier dat betrekking heeft op de bezwarenbehandeling.
Het komt verweerder onwaarschijnlijk voor dat appellante thans nog exact zou weten welke gegevens zij bij haar aanvraag heeft overgelegd. In dit verband heeft verweerder gewezen op de hiervoor in rubriek 2 vermelde brief d.d. 21 juni 1993 van de voormalig gemachtigde van appellante, waaruit blijkt dat appellante nauwelijks afschriften van de door haar aan verweerder toegezonden stukken had bewaard.
Uit de brief van verweerder van 9 november 1992 aan de accountant van appellante blijkt bovendien dat noch de structuur van de maatschap noch de in 1990 geproduceerde hoeveelheden bij verweerder bekend waren.
Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar d.d. 11 oktober 1994 blijkt voorts dat op dat moment nog niet precies kon worden aangegeven wat de door appellante gerealiseerde afzet was, alsmede dat boekhoudkundig bewijs van de op die hoorzitting overgelegde staten daterend uit 1990 nog moest worden nagezonden.
De nader toegezonden informatie heeft weer geleid tot vragen, die bij brief van 16 december 1994 aan de gemachtigde van appellante zijn voorgelegd, en vervolgens tot de bespreking op verweerders ministerie.