ECLI:NL:CBB:2001:AB2998

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 juni 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hernieuwde vaststelling artikel 19 Verordening Speelautomaten Oostburg

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de gemeente Oostburg waarbij artikel 19 van Pro de Verordening Speelautomaten opnieuw is vastgesteld na vernietiging van het eerdere besluit door het College. Het bestreden besluit verklaart het bezwaarschrift van appellante gegrond en trekt het oude artikel 19 in Pro, maar stelt een nieuw artikel 19 vast Pro met een afwijkingsbevoegdheid voor het aantal speelautomaten in bepaalde inrichtingen.

Appellante stelt dat het nieuwe artikel 19 feitelijk Pro een beschikking betreft die alleen op haar situatie is gericht en dat de gemeente in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Het College beoordeelt of het nieuwe besluit voldoet aan de uitspraak van 12 mei 1999 en oordeelt dat het nieuwe artikel 19 een Pro algemene regel is die ook op andere inrichtingen van toepassing kan zijn.

De gemeente heeft volgens het College daarmee niet buiten haar bevoegdheid gehandeld. De stelling van appellante dat sprake is van een beschikking wordt verworpen omdat het een algemeen verbindend voorschrift betreft. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de gemeente Oostburg wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 00/20 27 juni 2001
29010
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellante,
gemachtigde: mr R.R.E. Nobus, advocaat te Terneuzen,
tegen
De raad van de gemeente Oostburg, te Oostburg, verweerder,
gemachtigde: mr A.M. van Gessel, werkzaam bij de gemeente Oostburg.
1. De procedure
Op 28 december 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 oktober 1999 dat bij brief van burgemeester en wethouders van Oostburg van 18 november 1999 aan appellante bekend is gemaakt.
Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op een bezwaarschrift van appellante van
4 augustus 1995, nadat een eerder besluit van verweerder op dit bezwaar bij uitspraak van
12 mei 1999 door het College was vernietigd.
Op 28 april 2000 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.
Op 16 juni 2000 is een verweerschrift ontvangen. Op 22 juni 2000 is hierop nog een aanvulling ontvangen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2001, waarbij partijen hun standpunten, bij monde van hun gemachtigden, nader hebben toegelicht.
2. De grondslag van het geschil
Voor de feiten en omstandigheden verwijst het College naar voormelde, aan partijen bekende uitspraak van 12 mei 1999. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder
Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift van appellante van 4 augustus 1995 gegrond verklaard en is artikel 19 van Pro de Verordening Speelautomaten Oostburg (hierna: de Verordening), vastgesteld op 15 juni 1995, ingetrokken.
Tegelijkertijd is bij het bestreden besluit artikel 19 van Pro de Verordening opnieuw vastgesteld:
" 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 18, kan een vergunning verleend worden voor het aanwezig hebben van meer dan 3 speelautomaten, in inrichtingen waar gelet op bijzondere omstandigheden onverkorte toepassing van de overgangsbepalingen zou leiden tot een ongewenste onredelijkheid.
2. Bij gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid in het eerste lid geldt de beperking dat jaarlijks, te beginnen op 1 januari 1996, het aantal speelautomaten blijvend wordt verminderd, volgens een door de burgemeester voor deze categorie inrichtingen vast te stellen aflopend schema."
4. Het standpunt van appellante
Appellante heeft het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Verweerder heeft met het nieuwe artikel 19 van Pro de Verordening opnieuw een regel gegeven die alleen de situatie van appellante betreft en niet voor herhaalde toepassing vatbaar is. Verweerder heeft de facto opnieuw een beschikking genomen. Daarnaast heeft verweerder in strijd met diverse beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel.
5. De beoordeling van het geschil
Het College staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van het College van
12 mei 1999. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.
Terecht heeft verweerder in voormelde uitspraak van het College, inhoudende dat verweerder met het vaststellen van het oude artikel 19 van Pro de Verordening buiten de grenzen van zijn bevoegdheid was getreden, aanleiding gevonden om deze bepaling bij het bestreden besluit in te trekken.
Het nieuw vastgestelde artikel 19 is Pro naar het oordeel van het College zodanig algemeen geformuleerd dat sprake is van een algemene regel, die voor herhaalde toepassing, ook op andere inrichtingen dan die van appellante vatbaar is. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting, onvoldoende weersproken, bovendien verklaard dat deze regel ook op andere inrichtingen dan die van appellante is toegepast. Derhalve is sprake van vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift en niet, zoals appellante betoogt, van een beschikking.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr C.J. Borman en mr F. W. du Marchie Sarvaas in tegenwoordigheid van mr A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2001.
w.g. H.G. Lubberdink De griffier is niet
niet in staat de
uitspraak mede
te ondertekenen.