Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2001:AB7600

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 augustus 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/496
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:16 AwbArt. 19 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake vergunning kansspelautomaat in Den Haag

Verzoeker exploiteert een inrichting in Den Haag waar alleen niet-alcoholische dranken worden geschonken. Hij had een vergunning aangevraagd en verkregen voor het aanwezig hebben van één kansspelautomaat en één behendigheidsautomaat, geldig van 1 september 2000 tot 1 juni 2001. Verweerder, de burgemeester van Den Haag, heeft bij besluit van 31 mei 2001 deze vergunning verleend, maar later bij besluit van 13 augustus 2001 de vergunning voor de kansspelautomaat ingetrokken en alleen een vergunning voor de behendigheidsautomaat verleend tot 1 september 2001.

Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2001 en verzocht de president van het College om een voorlopige voorziening, zodat hij de kansspelautomaat mocht behouden tot het besluit onherroepelijk was of tot 5 september 2001. De president overwoog dat de vergunning geldig was tot 1 juni 2001 en dat de vraag over een vergunning na 5 september 2001 niet aan de orde was. Verzoeker stelde dat hij maandelijks aanzienlijke schade leed door het ontbreken van de vergunning.

De president oordeelde dat voor het treffen van een voorlopige voorziening bij een financieel belang, zonder diepgaand onderzoek, ernstig betwijfeld moet worden of het standpunt van verweerder juist is en dat verzoeker concrete feiten moet aanvoeren die zijn belang onderbouwen. Dit was niet het geval, zodat het verzoek werd afgewezen. Tevens werden geen kosten aan partijen opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om de kansspelautomaat te mogen behouden werd afgewezen.

Uitspraak

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 01/496 17 augustus 2001
29010
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:
A, te Den Haag, verzoeker,
gemachtigde: mr J.W. Bogaardt, advocaat te Wassenaar,
tegen
de burgemeester van Den Haag, verweerder,
gemachtigde: mr C.E.J.M. Vaars, werkzaam bij verweerder.
1. De procedure
Bij besluit van 31 mei 2001 heeft verweerder verzoeker vergunning als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, van de Wet op de kansspelen verleend tot het in zijn inrichting aanwezig hebben van maximaal één kansspelautomaat en één behendigheidsautomaat, welke vergunning geldig is van 1 september 2000 tot 1 juni 2001.
Bij brief gedateerd 15 mei 2001, door verweerder ontvangen op 19 juni 2001, heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 mei 2001.
Bij brief van 3 juli 2001 heeft verzoeker zich tot de president van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het verzoeker zal zijn toegestaan bovengenoemde automaten in zijn inrichting aanwezig te hebben tot het besluit van 31 mei 2001 onherroepelijk is geworden, althans tot 5 september 2001.
De president heeft besloten onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zonder zitting uitspraak te doen.
2. De grondslag van het geschil
Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- Verzoeker exploiteert een inrichting te Den Haag, waar alleen koffie, thee en limonade wordt geschonken.
- Door middel van een op 23 mei 2000 gedagtekend formulier, door verweerder ingeboekt op 5 september 2000, heeft verzoeker vergunning aangevraagd tot het in zijn inrichting aanwezig hebben van één kansspelautomaat en één behendigheidsautomaat.
- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 31 mei 2001 genomen.
- In verweerders gemeente bestaat het beleid dat vergunningen als de onderhavige worden verleend met een looptijd van één jaar.
- Bij brief van 24 juli 2001 heeft verweerder verzoeker kenbaar gemaakt voornemens te zijn het besluit van 31 mei 2001 in te trekken en een nieuw besluit te nemen, waarbij geen vergunning wordt verleend tot het aanwezig hebben van een kansspelautomaat. De vergunning tot het aanwezig hebben van een behendigheidsautomaat zal geldig zijn van 1 september 2000 tot 1 september 2001.
- Bij brief van 1 augustus 2001 heeft verzoeker aan verweerder kenbaar gemaakt dat hij het verzoek om voorlopige voorziening handhaaft.
- Bij besluit van 13 augustus 2001 heeft verweerder beslist conform zijn bij brief van
24 juli 2001 kenbaar gemaakte voornemen.
3. De beoordeling van het verzoek
Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 Awb Pro juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de president op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.
De geldigheidsduur van het besluit van 31 mei 2001 van verweerder is reeds op 1 juni 2001 verstreken, nu de bij dat besluit verleende vergunning geldig was tot laatstgenoemde datum. Bij besluit van 13 augustus 2001 heeft verweerder zijn besluit van 31 mei 2001 ingetrokken en verzoeker vergunning verleend tot het in zijn inrichting aanwezig hebben van één behendigheidsautomaat, geldig van 1 september 2000 tot 1 september 2001. De gevraagde vergunning tot het aanwezig hebben van een kansspelautomaat is verzoeker geweigerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van het in de gemeente Den Haag gevoerde beleid recht kan doen gelden op een vergunning geldig tot 5 september 2001.
De president stelt vast dat de vraag of verzoeker na 5 september 2001 aanspraak kan maken op een aanwezigheidsvergunning als door hem gewenst, wordt beantwoord indien hij hiertoe een aanvraag indient. Laatstbedoelde vraag staat hier derhalve niet ter discussie.
Nu verzoeker heeft gesteld dat hij maandelijks fl. 2.000,-- tot fl. 2.500,-- schade lijdt doordat hij niet beschikt over de door hem gewenste vergunning, gaat het bij de beoordeling van het onderhavige verzoek om een schade van ten hoogste ongeveer
fl. 8.000,-- (te weten de gestelde schade over periode van 1 juni 2001 tot uiterlijk
5 september 2001), daargelaten dat verzoeker inmiddels weer vergunning is verleend tot het aanwezig hebben van een behendigheidsautomaat, welke inkomsten kan genereren.
In het voetspoor van eerdere uitspraken overweegt de president dat in beginsel slechts aanleiding kan zijn tot het treffen van een voorlopige voorziening in een zaak als de onderhavige, waar het gaat om een financieel belang, indien, ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht, ernstig dient te worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en bovendien door verzoeker wordt gewezen op feiten en omstandigheden die meebrengen dat zijn belang vordert dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingewilligd.
Reeds omdat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat hij een zwaarwegend (financieel) belang heeft bij het toestaan van een uitzondering op artikel 6:16 Awb Pro, doet een situatie als geschetst in de vorige alinea zich hier niet voor.
De president acht geen termen aanwezig één der partijen met toepassing van artikel 8:75 Awb Pro te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken.
Toepassing gevend aan artikel 8:83, derde lid, Awb wegens kennelijke ongegrondheid van het verzoek wordt beslist als volgt.
4. De beslissing
De president wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van
mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2001.
w.g. D. Roemers w.g. B. van Velzen