ECLI:NL:CBB:2001:AC0053
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake vergunning kansspelautomaten in horecagelegenheid
Verzoekster exploiteert een horecagelegenheid waarvoor zij sinds 1997 een Drank- en Horecawetvergunning bezit, inclusief een vergunning voor twee kansspelautomaten tot 2000. Na een aanvraag in november 2000 voor een nieuwe vergunning wees de burgemeester van Amsterdam dit af, omdat de inrichting als laagdrempelig werd gekwalificeerd. Verzoekster maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens verzocht zij het College om een voorlopige voorziening om toch kansspelautomaten te mogen hebben totdat het beroep werd behandeld.
De kern van het geschil betreft de kwalificatie van de horecagelegenheid als hoog- of laagdrempelig. De Wet op de kansspelen bepaalt dat kansspelautomaten alleen in hoogdrempelige inrichtingen mogen worden geplaatst, waarbij hoogdrempeligheid wordt bepaald aan de hand van het hoofddoel van de inrichting en de zelfstandige betekenis van andere activiteiten. Verzoekster betoogde dat haar inrichting hoofdzakelijk een café is waar het nuttigen van drank centraal staat en dat dansen slechts bijzaak is, terwijl verweerder stelde dat het een bar-dancing betreft met zelfstandige dansactiviteiten.
Na onderzoek door het deskundige bureau Verispect, dat twee rapporten uitbracht, concludeerde de burgemeester dat de inrichting laagdrempelig is vanwege de zelfstandige betekenis van het dansen. Het College oordeelde dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar inrichting hoogdrempelig is. Het financiële belang van verzoekster bij de kansspelautomaten was onvoldoende om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen. Daarom werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de inrichting als laagdrempelig wordt aangemerkt en geen vergunning voor kansspelautomaten kan krijgen.