ECLI:NL:CBB:2001:AD3270
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- H.G. Lubberdink
- M.J. Kuiper
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering invoer boter uit Nederlandse Antillen wegens niet-toelating op lijst derde landen volgens richtlijn 92/46/EEG
In deze bestuursrechtelijke zaak is beroep ingesteld tegen het besluit van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) om de invoer van een partij boter uit de Nederlandse Antillen te weigeren. De weigering was gebaseerd op Beschikking 94/70/EG, waarin een voorlopige lijst van derde landen is vastgesteld die voldoen aan gezondheidsvoorschriften uit richtlijn 92/46/EEG. De Nederlandse Antillen stonden niet op deze lijst.
Appellanten stelden dat zolang geen geldige lijst was vastgesteld, de nationale controlevoorschriften van toepassing moesten blijven en dat de boter mocht worden toegelaten indien geen risico voor de volksgezondheid bestond. Het College heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie, dat bevestigde dat artikel 23 van Pro richtlijn 92/46/EEG ook van toepassing is op producten uit overzeese landen zoals de Nederlandse Antillen en dat de voorlopige lijst rechtsgeldig moet zijn.
Het College oordeelde dat de nationale bepalingen niet voldeden aan de vereiste gelijkwaardige garanties en dat de Nederlandse Antillen ten tijde van de invoer niet konden garanderen dat de gezondheidsvoorschriften werden nageleefd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd bevestigd dat de WTO-regels geen directe rechten aan particulieren toekennen waarop zij zich voor de nationale rechter kunnen beroepen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van invoer van boter uit de Nederlandse Antillen wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van gelijkwaardige gezondheidsgaranties en opname op de lijst van derde landen.