ECLI:NL:CBB:2001:AD3552
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en rechtmatigheid bestrijdingsmaatregelen klassieke varkenspest
Appellante exploiteert een varkensbedrijf waarvan de dieren bij besluit van 14 juni 1997 verdacht werden verklaard van besmetting met klassieke varkenspest. Verweerder nam op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) maatregelen, waaronder het doden van verdachte dieren en vernietiging van producten. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde onder meer dat de burgemeester bevoegd was en dat er geen sprake was van besmetting, waardoor de maatregelen onrechtmatig waren.
Het College overwoog dat verweerder bevoegd was tot het nemen van spoedeisende maatregelen ingevolge artikel 21 en Pro 22 Gwd, omdat de situatie een spoedeisend geval betrof. De verdachtverklaring en preventieve ruiming waren gebaseerd op een wetenschappelijk onderbouwde risicoanalyse en noodzakelijk om verdere verspreiding van het virus te voorkomen. Het College verwierp het betoog van appellante over inconsistent beleid en onvoldoende motivering.
Verder oordeelde het College dat het beroep zich vooral richtte op de vergoeding van schade, maar dat het besluit over schadevergoeding onherroepelijk was geworden omdat appellante daartegen geen rechtsmiddel had aangewend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder werd niet veroordeeld tot proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot verdachtverklaring en preventieve ruiming van haar varkens wordt ongegrond verklaard.