ECLI:NL:CBB:2001:AD4782
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vergunning mijnbouwinstallatie op continentaal plat
Greenpeace heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van de minister van Economische Zaken die toestemming verlenen aan Clyde Petroleum voor het plaatsen van een mijnbouwinstallatie met een veiligheidszone van 500 meter op het continentaal plat in blok P12. Greenpeace stelt dat zij op dezelfde locatie een windmolen wil plaatsen voor wetenschappelijk onderzoek en dat haar belangen niet zijn meegewogen.
De minister en Clyde Petroleum betwisten het belanghebbend zijn van Greenpeace en voeren aan dat de vergunningen rechtmatig zijn verleend en dat het wetenschappelijk onderzoek niet locatiespecifiek is. De president van het College van Beroep oordeelt dat Greenpeace wel belanghebbende is, maar dat haar belangen niet zodanig spoedeisend zijn dat voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd zijn.
Verder wordt geoordeeld dat de benodigde toestemming van de minister van Verkeer en Waterstaat is gegeven, mede namens de Directeur Kustwacht, en dat eventuele procedurele gebreken in de bezwaarprocedure kunnen worden hersteld. De verzoeken om voorlopige voorziening worden daarom afgewezen.
Greenpeace had een windmolen geplaatst, maar deze moest op last van de rechtbank worden verwijderd. Het hoger beroep tegen dat vonnis loopt nog. De uitspraak bevestigt de geldigheid van de vergunningen voor mijnbouwactiviteiten en de prioriteit daarvan boven het aangevoerde wetenschappelijk onderzoek van Greenpeace.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening van Greenpeace tegen de vergunningen voor mijnbouwinstallatie is afgewezen.