ECLI:NL:CBB:2001:AD6764
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- B. Verwayen
- H.C. Cusell
- J.A. Hagen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke afwijzing van beroep tegen tuchtboete pluimveehouder
Appellant, een pluimveehouder, kreeg een tuchtboete van 8.000 gulden opgelegd door het Tuchtgerecht Productschap voor Pluimvee en Eieren wegens het niet naleven van meerdere hygiënevoorschriften. Appellant voerde aan dat hij door de voorgenomen verkoop van zijn boerderij en onzekerheid over voortzetting van zijn bedrijf de noodzakelijke stalaanpassingen was vergeten uit te voeren. Hij stelde tevens dat hij bereid was de aanpassingen alsnog te verrichten en dat hij geen nieuwe kippen had opgezet.
Het College stelt vast dat appellant de overtredingen niet betwist, maar zijn beroep richt zich op de hoogte van de boete en de persoonlijke omstandigheden, zoals de geringe omvang van zijn bedrijf en het ontbreken van eerdere waarschuwingen. Het College oordeelt dat de overtredingen zeer ernstig zijn, vooral het nalaten van een salmonella-onderzoek, en dat het belang van de volksgezondheid zwaarwegend is.
Verder benadrukt het College dat de mogelijke beëindiging van het bedrijf geen vrijstelling biedt van het naleven van de voorschriften. De stelling dat appellant niet willens en wetens de regels overtrad, doet niet af aan de ernst van de overtredingen. Ook het verwijzen naar lagere boetes in vergelijkbare zaken is onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt het beroep verworpen en blijft de boete in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de tuchtboete van 8.000 gulden wordt verworpen en de boete blijft in stand.