ECLI:NL:CBB:2002:AD9226
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- D. Roemers
- C.J. Borman
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen besluit verval melkquotum op grond van Regeling superheffing 1993 afgewezen
Appellant beschikte over een fabrieksquotum van 89.308 kg voor de heffingsperiode 1999/2000, dat gedurende deze periode niet is gebruikt of verhuurd. Verweerder stelde het quotum op grond van artikel 5 van Pro Verordening (EEG) nr. 3950/92 en artikel 7 van Pro de Regeling superheffing 1993 als vervallen vast. Appellant maakte bezwaar, stellende dat het niet-gebruik te wijten was aan ernstige gezondheidsproblemen en geheugenverlies, ondersteund door een huisartsverklaring.
Het bezwaar werd ongegrond verklaard omdat de regelgeving geen ruimte biedt voor behoud van het quotum bij niet-gebruik, behoudens heractivering bij hervatting van productie binnen een bepaalde termijn. Het College oordeelde dat de nationale regeling in overeenstemming is met de Europese verordening en dat geen grond bestaat voor een vergoeding, ook niet analoog aan artikel 17, vierde lid, van de Regeling superheffing 1993.
Verder stelde het College vast dat verweerder niet verplicht was appellant te horen vanwege de kennelijke ongegrondheid van het bezwaar. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verval van het melkquotum is ongegrond verklaard.