4. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Appellant exploiteert het café, annex restaurant, in een voldoende afgescheiden ruimte, als zelfstandige eenheid. Het is een dorpscafé, dat alleen bestaansrecht heeft als hoogdrempelige inrichting met eigen openingstijden en een zelfstandige stroom bezoekers. De activiteiten zijn in hoofdzaak gericht op personen van 18 jaar en ouder.
De maandelijkse disco voor jongeren maakt dit niet anders, nu deze in de niet tot het café behorende grote zaal van het dorpshuis wordt gehouden en de verstrekking van consumpties op die avonden via een apart buffet in deze zaal plaatsvindt.
De toegang tot het café is gescheiden van de rest van het dorpshuis, terwijl de overige - laagdrempelige - ruimten in het dorpshuis van buitenaf door het publiek te bereiken zijn zonder eerst het café te betreden.
Het café voldoet derhalve aan alle voorwaarden van artikel 30c, vierde lid, van de Wet om als hoogdrempelige inrichting te worden aangemerkt.
De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering aan appellant een vergunning te verlenen voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten is dan ook in strijd met de Wet, althans moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen.
Het vorenstaande wordt niet anders door de deur tussen het café en de gang/garderobe, die toegang geeft tot de sportaccommodatie aan de achterzijde van het dorpshuis.
De in het bestreden besluit mede aan de privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en de stichting ontleende motivering van verweerder moet naar de opvatting van appellant worden aangemerkt als detournement de pouvoir.
Appellant wijst er in dit verband op dat weliswaar in die overeenkomst is bepaald dat het horecagedeelte tijdens de verenigingsactiviteiten in de gymzaal toegankelijk moet zijn, doch dat dit niet betekent dat gebruik moet kunnen worden gemaakt van de litigieuze tussendeur. Het publiek dat voor de gymzaal komt kan via een buitendeur van het dorpshuis toegang krijgen tot het sportgedeelte en behoeft daartoe niet eerst het café te betreden.
Bovendien is het standpunt van verweerder, inhoudend dat deze tussendeur uit het oogpunt van brandveiligheid niet mag worden afgesloten en dat dit tot gevolg heeft dat het publiek - waaronder jongeren beneden de 18 jaar - via het hoogdrempelige café in het laagdrempelige deel van het dorpshuis kunnen komen, daargelaten de betekenis die daaraan zou moeten worden gehecht, feitelijk onjuist. Ten eerste verschillen de openingstijden van café- en sportgedeelte, terwijl de tussendeur een nooduitgang is vanuit het café, die van binnenuit te openen moet zijn. Hierbij komt dat er in het café reeds twee - van dubbele deuren voorziene - nooduitgangen zijn, die rechtstreeks toegang naar buiten geven; de tussendeur is dus niet noodzakelijk als nooduitgang.
Bovendien heeft het laagdrempelige (sport)gedeelte van het dorpshuis een geheel eigen adequate ingang en mag van appellant als ondernemer worden verwacht dat hij er op toe ziet dat de tussendeur niet anders dan als nooduitgang vanuit het café wordt gebruikt.
De argumenten, die verweerder heeft gebezigd om tot de conclusie te komen dat het café als laagdrempelig moet worden aangemerkt, kunnen gelet op het vorenstaande deze conclusie niet dragen. Het bestreden besluit is derhalve tevens in strijd met het motiveringsbeginsel.
Op grond van al het vorenstaande verzoekt appellant het College het bestreden besluit te vernietigen en verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen, in die zin dat het appellant alsnog wordt toegestaan twee kansspellautomaten in het café aanwezig te hebben.