ECLI:NL:CBB:2002:AD9676
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- C.M. Wolters
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vermindering premierechten zoogkoeien wegens onvoldoende benutting
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om haar premierechten zoogkoeien met 13,6 te verminderen omdat zij in 1999 minder dan 90% van haar premierechten zou hebben benut. Verweerder had de aanvraag voor 48 zoogkoeien afgewezen omdat 14 drachtige vaarzen niet voldeden aan de definitie van zoogkoe.
Appellante voerde aan dat drachtige vaarzen ook als zoogkoeien moeten worden meegeteld en dat zij daardoor haar premierechten wel degelijk had benut. Tevens stelde zij dat zij onterecht niet gehoord was en dat sprake was van een uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde omstandigheid die de vermindering zou moeten voorkomen.
Het College oordeelde dat de Regeling en de toelichtende brochure onmiskenbaar maken dat drachtige vaarzen alleen als zoogkoe gelden indien zij na aanvang van de aanhoudperiode een zoogkoe vervangen. De interpretatie van appellante was onjuist. Gezien het ongegrond zijn van het bezwaar mocht verweerder van het horen van appellante afzien. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vermindering van haar premierechten zoogkoeien wordt ongegrond verklaard.