Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2002:AE1409

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/640
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet personenvervoer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij verstreken busdienstregeling

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde een beroep van het College van burgemeester en wethouders van Hulst tegen een besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland. Dit besluit betrof de vaststelling van een busdienstregeling voor het jaar 2001, vastgesteld op 28 juni 2001. Het beroep was gericht tegen de ongegrondverklaring van een eerder bezwaar tegen deze dienstregeling.

De procedure omvatte het indienen van het beroepschrift op 3 augustus 2001, het verweerschrift van 26 oktober 2001, en een zitting op 15 maart 2002 waarin partijen hun standpunten toelichtten. Het College stelde vast dat de dienstregeling inmiddels was verstreken en dat appellant geen schade had geleden door het bestreden besluit.

Gezien het ontbreken van een actueel en rechtens te honoreren belang bij de uitspraak verklaarde het College het beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 5 april 2002 door drie rechters, met een griffier aanwezig.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een actueel procesbelang.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 01/640 5 april 2002
14860 Wet personenvervoer/Dienstregeling
Uitspraak in de zaak van:
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, appellant,
gemachtigde: A.C.A. de Nijs en A.P.M. Hiel, beiden werkzaam bij de gemeente Hulst,
tegen
Gedeputeerde Staten van Zeeland, verweerders,
gemachtigde: F. Chervet, werkzaam bij de Provincie Zeeland.
1. De procedure
Op 3 augustus 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerders van 28 juni 2001.
Bij dit besluit hebben verweerders het bezwaar van appellant tegen vaststelling van een busdienstregeling op grond van de Wet personenvervoer ongegrond verklaard.
Op 26 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2002, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden de wederzijdse standpunten nader hebben toegelicht.
2. De grondslag van het geschil
Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Bij besluit van 23 januari 2001, dat op 31 januari 2001 is bekendgemaakt, hebben verweerders de busdienstregeling interlokaal openbaar vervoer voor het jaar 2001 vastgesteld, waarvoor vóór 1 januari 2001 op grond van de (oude) Wet personenvervoer een voorstel was ingediend. Deze dienstregeling is hierbij uiterlijk tot 31 december 2001 vastgesteld.
- Tegen dit besluit heeft appellant op 12 maart 2001 een bezwaarschrift ingediend.
- Op 22 mei 2001 is appellant ter zake van dit bezwaar gehoord door de commissie bezwaar- en beroepschriften van verweerders.
- Vervolgens hebben verweerders het bestreden besluit genomen.
3. Het bestreden besluit en het standpunt van appellant
Gelet op de hierna volgende beslissing ziet het College er van af het bestreden besluit en het standpunt van appellant hier verder weer te geven.
4. De ontvankelijkheid van het beroep
Het College zal allereerst de vraag te beantwoorden of appellant thans nog processueel belang heeft bij zijn beroep, aangezien de in het geding zijnde dienstregeling inmiddels is verstreken.
Desgevraagd heeft appellant ter zitting verklaard geen schade te hebben geleden ten gevolge van deze door verweerders vastgestelde dienstregeling. Gelet hierop is niet gebleken dat appellant nog enig rechtens te honoreren belang heeft bij een uitspraak over de verstreken dienstregeling. Daarom dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. De beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.J. Borman en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van
mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2002.
w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel