ECLI:NL:CBB:2002:AE2677
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering energieverklaring wegens overschrijding meldingstermijn
Appellant had een investering gedaan in een energiezuinig bedrijfsmiddel en vroeg een energieverklaring aan voor toepassing van de energie-investeringsaftrek. Het geschil betrof de vraag wanneer de investeringsverplichting onherroepelijk was aangegaan, omdat de meldingstermijn van drie maanden strikt wordt toegepast.
Appellant stelde dat de verplichting pas op 8 november 1999 tot stand kwam, omdat toen de financiering rond was en de overeenkomst definitief was. Verweerder stelde dat de verplichting al op 11 augustus 1999 was aangegaan, toen de opdrachtbevestiging werd getekend.
Het College oordeelde dat de opdrachtbevestiging van 11 augustus 1999 bindend was en dat het ontbreken van financiering op dat moment geen opschortende voorwaarde vormde. De factuur van 8 november verwees immers naar de bevestiging van 11 augustus. De melding op 20 december 1999 was daarmee te laat.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Deze uitspraak verduidelijkt dat bij investeringen voor de energie-investeringsaftrek het moment van het aangaan van de verplichting bepalend is voor de termijn van melding, ongeacht financieringsomstandigheden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de meldingstermijn van drie maanden is overschreden.