ECLI:NL:CBB:2002:AE6045
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zelfstandigheid van stierenhouderijbedrijven in relatie tot EG-premieregeling
Appellanten, die sinds 1997 zelfstandig een stierenhouderij exploiteren en grond in eigendom hebben, vroegen premies aan op grond van de Regeling dierlijke EG-premies. Verweerder wees deze aanvragen af vanwege verwevenheid van hun bedrijfsvoering met die van hun vader, die eveneens stieren houdt en met wie zij een maatschap vormen.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of appellanten als zelfstandige producenten konden worden aangemerkt. Het College stelde vast dat ondanks administratieve scheidingen en eigen UBN-nummers, de feitelijke bedrijfsvoering verweven was: gebruik van stallen van vader, gezamenlijke verzorging van stieren, gebruik van machines van de maatschap en gezamenlijke grondgebruik.
Het College concludeerde dat er sprake was van één bedrijfsvoering, waardoor slechts één producent verantwoordelijk kon zijn. De aanvragen voor 1999 werden daarom terecht afgewezen. Voor 2000 was de situatie gewijzigd, waardoor de premieaanvragen toen wel werden toegewezen.
Het beroep van appellanten werd ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het oordeel benadrukt het belang van feitelijke zelfstandigheid voor het verkrijgen van EG-premies.
Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard en hun premieaanvragen voor 1999 worden terecht afgewezen wegens verwevenheid met het bedrijf van hun vader.