ECLI:NL:CBB:2002:AE6390
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beslissing over voorlopige voorziening inzake verlenging toelating mancozeb-houdende bestrijdingsmiddelen
In deze zaak gaat het om besluiten van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) die toelatingen van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof mancozeb verlengden tot 2002-2004, met beperkingen voor vliegtuigtoepassingen. Diverse partijen, waaronder producenten en milieuorganisaties, dienden bezwaren en verzoeken om voorlopige voorzieningen in tegen deze besluiten.
De voorzieningenrechter had eerder op 27 maart 2002 een voorlopige voorziening getroffen die de verlenging deels schorste vanwege het ontbreken van een noodzakelijk visonderzoek (higher tier visstudie) dat volgens de geldende Europese en nationale regelgeving vereist is om milieueffecten op aquatische organismen te beoordelen. Verzoeksters betoogden dat zij niet verantwoordelijk waren voor het ontbreken van dit onderzoek en dat het niet noodzakelijk was, verwijzend naar Europese richtlijnen en expertmeetings.
Het College oordeelde dat verzoeksters wel verantwoordelijk zijn voor het niet tijdig aanleveren van de visstudie en dat deze studie noodzakelijk is volgens het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen en Europese regelgeving. Het ontbreken van deze studie maakt dat de toelatingen ten onrechte procedureel zijn verlengd. De voorlopige voorziening wordt daarom gehandhaafd en het verzoek tot opheffing afgewezen. Het College benadrukt dat nadere voorschriften ter bescherming van waterorganismen in de definitieve besluitvorming kunnen worden overwogen.
Uitkomst: Het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening wordt afgewezen en de schorsing van de toelatingen blijft gehandhaafd vanwege het ontbreken van het noodzakelijke visonderzoek.