Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2002:AE7537

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
10 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/1016
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Wet op de kansspelenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang bij vergunning kansspelautomaten

Appellant exploiteert een horecagelegenheid en heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning voor twee kansspelautomaten voor het jaar 2001. De burgemeester van Roerdalen heeft deze vergunning geweigerd, waarop appellant bezwaar maakte. Na behandeling van het bezwaar is het bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant stelde dat hij belang had bij een beoordeling van het besluit omdat de uitkomst van belang kon zijn voor toekomstige besluitvorming. Het College overwoog dat dit onvoldoende is om belang te ontlenen aan het beroep, gelet op vaste jurisprudentie. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het College wees tevens af om proceskosten toe te kennen. De uitspraak werd gedaan door mr C.J. Borman op 10 juli 2002 in het openbaar.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
(zesde enkelvoudige kamer)
No. AWB 01/1016 10 juli 2002
29000 Wet op de kansspelen
Uitspraak in de zaak van:
A h.o.d.n. "B", te C, appellant,
gemachtigde: mr J.H.M. Klaarenbeek-Heijster, advocate te 's-Hertogenbosch,
tegen
de burgemeester van Roerdalen, verweerder,
gemachtigden: mr S.M.G. Breukers-Jongen en H.M.W. Gootzen, werkzaam bij de gemeente Roerdalen.
1. De procedure
Op 14 december 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen van 1 augustus 2001, welk besluit verzonden is op 6 november 2001.
Bij dit besluit hebben burgemeester en wethouders beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de beslissing op zijn aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) voor twee kansspelautomaten.
Op 4 januari 2002 zijn de gronden van het beroep ingediend.
Verweerder heeft op 5 februari 2002 een verweerschrift ingediend.
Op 5 juli 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij deze gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader toegelicht. Appellant was ook in persoon ter zitting aanwezig.
2. De vaststaande feiten
- Appellant exploiteert een horeca-gelegenheid onder de naam "B" op het adres D te C.
- Appellant heeft een aanvraag, gedateerd 4 januari 2001, ingediend voor een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001.
- Bij besluit van 5 juli 2001 (verzonden 6 juli 2001) heeft verweerder appellant de gevraagde vergunning geweigerd.
- Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.
- Vervolgens hebben burgemeester en wethouders het bestreden besluit genomen, waarbij, overeenkomstig het advies van de Commissie beroep- en bezwaarschriften, het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard.
3. De beoordeling van het geschil
Aan de orde is allereerst of appellant belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Het College overweegt in verband hiermee als volgt.
Appellant heeft ter zitting verklaard dat gedurende geheel 2001 in zijn inrichting twee kansspelautomaten hebben gestaan en in bedrijf zijn geweest.
Hij heeft ter zitting voorts aangegeven dat het belang bij een beoordeling van het besluit met betrekking tot het onderhavige tijdvak enkel gelegen is in de betekenis die overwegingen van het College terzake kunnen hebben voor de beoordeling van een door verweerder met betrekking tot een later tijdvak mogelijk in zijn besluitvorming te betrekken standpunt. Volgens vaste jurisprudentie van het College dient onder deze omstandigheden te worden geconcludeerd dat appellant geen belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.
Voorgaande overwegingen leiden tot het oordeel dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4. De beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr C.J. Borman in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en op 10 juli 2002 in het openbaar uitgesproken.
w.g. C.J. Borman w.g. R.P.H. Rozenbrand