3. Het standpunt van verweerder en BBA
In aanvulling op hetgeen in het besluit ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd is overwogen, heeft verweerder in zijn reactie op het verzoek om een voorlopige voorziening alsmede ter zitting het volgende aangevoerd. BBA heeft zich in grote lijnen geschaard achter het standpunt van verweerder.
Verzoekster heeft geen belang heeft bij de onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure, aangezien verzoekster, Connexxion Openbaar N.V., niet degene is die heeft ingeschreven op de concessie. Dit is namelijk Connexxion N.V..
BBA heeft aan dit punt toegevoegd dat naar haar oordeel verzoekster door het bestreden besluit niet rechtstreeks in haar belangen is getroffen. Verzoekster is immers niet de onderneming die heeft ingeschreven op de aanbestedingsprocedure en de offerte heeft gedaan.
Gelet hierop behoort verzoekster reeds hierom niet-ontvankelijk in haar verzoek te worden verklaard, althans behoort dit verzoek te worden afgewezen.
Verweerder heeft de bevoegdheid tot het openbaar aanbesteden van de concessie. Deze bevoegdheid berust op artikel 61, eerste lid en onder a van de Wet. Het moge zo zijn dat uitwerking van dit artikel nog niet heeft plaatsgevonden, maar de Minister gaat er van uit dat het openbaar aanbesteden van concessies thans op vrijwillige basis plaatsvindt. Verweerder is reeds, onverplicht, begonnen met het aanbesteden van het openbaar vervoer. Indien de inwerkingtreding van de verplichting tot aanbesteden zou worden afgewacht, zou een te korte tijdsperiode resteren voor het opstarten en voltooien van aanbestedingsprocedures.
De onderhavige aanbestedingsprocedure voldoet aan de beginselen van zorgvuldigheid en transparantie.
De gunningscriteria, subcriteria en wegingsfactoren zijn in het bestek opgenomen. Ook is in dit bestek aangegeven welke prioriteiten binnen die criteria gelden. Voorts zijn in het bestek de criteria verder uitgewerkt.
Ook is in het bestek aangegeven dat met een puntentoedelingssysteem zou worden gewerkt. Daarbij is gekozen voor een systeem dat de aangeboden kwaliteit beloont van alle inschrijvers, in de veronderstelling dat het gehanteerde puntensysteem de verschillen aan de dag zou leggen, en niet voor een systeem waarbij tot het grootste onderscheidende vermogen tussen de inschrijvers wordt gekomen.
In het gehanteerde systeem is het mogelijk dat op 4 van de 5 criteria door verzoekster en BBA gelijk wordt gescoord. Die criteria zijn echter opgebouwd uit onderliggende elementen, waarvan de scores na beoordeling wel verschillen vertonen. Deze verschillen maken voor de uiteindelijke uitkomst van de gunning geen verschil en zouden in de onderlinge verhouding geen wijziging teweeg brengen. Indien zou worden uitgegaan van niet-afgeronde scores zou BBA 79,5 punten en verzoekster 76,8 punten toebedeeld hebben gekregen.
BBA heeft op het onderdeel "Streefbeeld onderhoud" met betrekking tot de verstuiver geen punten behaald. Dit betekent niet dat BBA moet worden uitgesloten van de concessie. Dit onderdeel betreft een eis en geen knock-out-criterium. Het niet voldoen aan deze eis heeft geleid tot puntenaftrek bij BBA.
Verder heeft een juiste puntenverdeling plaatsgevonden ter zake van het resultaat van het criterium "Selectie". De beoordeling op de selectiecriteria leverde voor verzoekster 3,4, voor BBA 3,2 en voor een derde aanbieder 2,5 punten op. Dit resultaat speelde met een wegingsfactor van 5% mee bij de gunningscriteria. Hoewel in het totaaloverzicht niet-afgeronde waarden van de selectiecriteria worden gebruikt, heeft dit geen invloed op de eindscore.
Op het onderdeel "Voorzieningenniveau" heeft terecht een aanpassing van 3 punten op de score van zowel BBA als van verzoekster plaatsgevonden. Zowel verzoekster als BBA hadden aanvankelijk 20 punten op dit onderdeel behaald. In verband met onduidelijkheden in de door verzoekster en BBA verstrekte informatie op dit onderdeel, heeft verweerder hen nadere vragen gesteld. Naar aanleiding van deze vragen hebben verzoekster en BBA nadere informatie verstrekt.
Deze antwoorden en de beoordeling daarvan resulteerde in beiden gevallen in een extra puntenscore van 3 punten en een totaalscore van 23 punten.
Verzoekster is op 11 juli 2002 abusievelijk een verouderd werkexemplaar van het rekenbestand met de puntenwaarderingen van de partijen toegezonden, dat ziet op de eerste concept-beoordeling, aldus op de situatie vóórdat vorenbedoelde vragen door verweerder waren gesteld en de daarop gegeven antwoorden van verzoekster en BBA waren ontvangen en beoordeeld. Slechts de overgelegde tabel was een verouderd exemplaar, de bijgevoegde matrix evenwel niet; hierin stond de puntenscore op de diverse onderdelen en de totaalscore juist vermeld, namelijk 23 punten voor beiden. Nadat bij gelegenheid van het nazorggesprek op 11 juli 2002 was gebleken dat aan verzoekster een verouderd werkexemplaar ter hand was gesteld, is aan haar vervolgens de juiste, bijgewerkte, tabel toegezonden, op grond waarvan de gunning door verweerder heeft plaatsgevonden.
Hetgeen verzoekster ter zake van een te lage c.q. niet maximale puntentoekenning met betrekking tot een negental onderdelen, de verbetering van de toegankelijkheid van de bussen, de sociale veiligheid en verkeersveiligheid, de verjonging van het materieel, de instroom van schone bussen, correctieve maatregelen ten aanzien van olieverbruik en brandstofverbruik, de wachttijdenregeling, de monitoring van de bedrijfsvoering, de nummervermelding op het materieel en haar bevestiging dat zij (onvoorwaardelijk) akkoord gaat met de in het gunningcriterium "Kwaliteit aanbod", subonderdeel "Streefbeeld onderhoud" genoemde steekproefcontrole, naar voren heeft gebracht, gaat een voorlopige voorzieningenprocedure te buiten. Overigens heeft de puntentoerekening met betrekking tot een achttal onderdelen ter zake op juiste wijze plaatsgevonden. Erkend wordt dat op het onderdeel "Steekproefcontrole" verzoekster ten onrechte geen punten toegekend heeft gekregen. Herstel van deze fout leidt evenwel niet tot een andere uitslag in zijn totaliteit.
Met betrekking tot het selectiecriterium "aanwezigheid OV-vergunning" heeft verweerder aangevoerd dat terecht puntenaftrek heeft plaatsgevonden, aangezien uit de offerte bleek dat de naam van de inschrijver op de concessie (Connexxion N.V.) niet dezelfde was als de vergunninghouder (Connexxion Openbaar Vervoer N.V.).
Weliswaar was de vergunning op zich correct en bijgevoegd zodat geen reden tot uitsluiting bestond, doch de relatie tussen de aanbieder en Connexxion Openbaar Vervoer N.V. was aanvankelijk onduidelijk, zodat een zeer beperkte puntenaftrek gerechtvaardigd is.
BBA heeft terzake van het onderdeel "aanwezigheid OV-vergunning" aangevoerd dat niet is voldaan aan de in het bestek neergelegde geschiktheidseis "aanwezigheid OV-vergunning". Verzoekster heeft namelijk een op haar naam gestelde OV-vergunning overgelegd, terwijl de inschrijver op de concessie Connexxion N.V. is, hetgeen betekent dat de inschrijver geen OV-vergunning heeft. Uit vorengenoemde eis in het bestek moet worden afgeleid dat de inschrijver/vervoerder op het moment van inschrijven over de vergunning moet beschikken, waaraan hier niet is voldaan. Ook de Wet biedt steun aan dit standpunt. Nu dit een uitsluitingcriterium is, had uitsluiting van verzoekster van de aanbestedingsprocedure dienen te volgen.
Met betrekking tot de financiële situatie van het bedrijf van verzoekster heeft verweerder aangevoerd dat terecht puntenaftrek heeft plaatsgevonden. De financiële cijfers laten zien dat het bedrijf er niet optimaal voorstaat. Nagelaten is cijfers voor het jaar 2001 te overleggen, zoals het bestek dit voorschrijft en door verweerder opgevraagd. Beoordeling van de financiële situatie telt op grond van hetgeen hieromtrent is gesteld in het bestek beperkt mee in de totale beoordeling.
BBA heeft terzake van dit onderdeel aangevoerd dat niet is voldaan aan de in het bestek neergelegde geschiktheideis van het overleggen van de jaarcijfers 2001. Het niet voldoen aan deze geschiktheideis had evenzeer dienen te leiden tot uitsluiting van de inschrijving van verzoekster.
Terecht heeft puntenaftrek plaatsgevonden met betrekking tot het onderdeel "referenties". Weliswaar zijn 5 referenties overgelegd, doch enkele referenties zijn minder relevant geacht aangezien ze betrekking hebben op stadsvervoer en niet op streekvervoer, waarop de onderhavige concessie voornamelijk ziet. Voorts waren sommige ingewonnen referenties niet geheel positief. Dit rechtvaardigt gelet op hetgeen hieromtrent is bepaald in het bestek puntenaftrek.
De beoordeling van het Busplan Woerden heeft op juiste wijze plaatsgevonden. Met dit busplan voor zover het ziet op een snelle en goede invoering, kon maximaal 13 punten worden behaald en voor zover het ziet op een gunstig subsidiebedrag maximaal 15 punten.
De hoogte van het subsidiebedrag en de fasering van het plan zijn twee aparte aspecten waarop de beoordeling op dit onderdeel plaatsvindt. Het laagst aangeboden subsidiebedrag scoort 15 punten, het hoogste 0 punten. De hoogste score krijgt de inschrijver die in verhouding de beste invoering levert tegen het laagste subsidiebedrag. Verzoekster had gelet op het bestek kunnen weten dat bij de beoordeling van het voorstel meer aspecten speelden dan de fasering. Het voorstel van BBA ter zake van de verbinding van Middelland met het station is op dit onderdeel hoger gewaardeerd dan het voorstel van verzoekster.
De aanbieding van BBA op het onderdeel "Invulling streefbeeld" ter zake van de lijnen 101 en 126 is dermate omvangrijker dan het voorstel van verzoekster, dat deze een hogere score rechtvaardigt.
Door verweerder is niet overwogen om in deze te voorzien in een voornemenprocedure, aangezien partijen zich akkoord hebben verklaard met de inhoud van de voorwaarden zoals neergelegd in het bestek. Ook de looptijd voor de invoering van de concessie was, gelet op de benodigde voorbereidingstijd voor de concessiehouder, een factor van belang. Hierom is gekozen tot het gelijktijdig nemen van de besluiten tot gunning en concessieverlening. Voor een eventuele discussie over de uitslag is voorzien in het engageren van een nazorggesprek.
BBA vond het bestek en de daarin neergelegde gunningscriteria wel voldoende transparant en objectief. Ook was duidelijk dat sommige criteria zwaarder zouden wegen dan andere, wist BBA als inschrijver op welke onderdelen de meeste punten konden worden gehaald en waar zij zodoende haar offerte op moest toespitsen. Onbegrijpelijk is dat dit niet het geval zou zijn voor verzoekster als ervaren vervoerder/inschrijver op concessies. Verweerder heeft BBA terecht aangewezen als winnaar van de aanbestedingsprocedure en aan haar de concessie verleend.