2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden:
- Verzoekster sub 1 exploiteert op het adres X te 's-Gravenhage een inrichting onder de naam "D". Verzoeker sub 2 is als bedrijfsleider van genoemde inrichting in dienst van verzoekster sub 1.
- Door middel van een op 2 januari 2001 gedagtekend formulier, door verweerder ingeboekt op 28 maart 2001, heeft verzoekster sub 1. vergunning aangevraagd tot het in haar inrichting (in deze aanvraag aangeduid als "D") aanwezig hebben van twee kansspelautomaten gedurende twaalf maanden per jaar.
- Blijkens een in opdracht van verweerder opgestelde rapportage van 2 mei 2001 betreft de onderhavige inrichting één lokaliteit en staan er binnen de inrichting twee kansspelautomaten opgesteld.
- Bij brief van 29 oktober 2001 heeft verweerder verzoekster sub 1 in kennis gesteld van zijn voornemen om de aanvraag af te wijzen en haar in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze hieromtrent kenbaar te maken.
- Bij brief van 19 november 2001 heeft verzoekster sub 1. verweerder in kennis gesteld van haar standpunt en op 20 november 2001 heeft zij ten kantore van verweerder haar standpunt nader toegelicht.
- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 29 november 2001, conform zijn bij brief van 29 oktober 2001 kenbaar gemaakte voornemen, de aanvraag afgewezen.
- Tegen dit besluit hebben verzoeksters bij brief van 4 december 2001 bezwaar gemaakt.
- Bij brief van gelijke datum hebben verzoekers zich tot het College gewend met het verzoek de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 29 november 2001 wordt geschorst.
- Bij brief van 20 december 2001 heeft verweerder het College medegedeeld dat hangende de bezwaarschriftprocedure wordt afgezien van handhavend optreden, waarbij verweerder verzoeksters bij brief van diezelfde datum hiervan eveneens in kennis heeft gesteld.
- Bij brief van 8 januari 2002 hebben verzoeksters het verzoek om voorlopige voorziening van 4 december 2001 ingetrokken.
- Op 11 maart 2002 hebben verzoeksters het bezwaarschrift mondeling toegelicht.
- Bij advies van 15 mei 2002 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.
- Bij besluit van 14 mei 2002 hebben burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage, conform het advies van de commissie, het bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij besluit van 25 juni 2002 heeft verweerder het besluit van 14 mei 2002 ingetrokken, om reden dat dit besluit onbevoegd genomen was, en het bezwaarschrift, conform het advies van de commissie, ongegrond verklaard.
- Bij brief van 5 augustus 2002 hebben verzoeksters, in reactie op de brief van 23 juli 2002, het College een machtiging doen toekomen waar uit valt af te leiden dat B gemachtigd is om namens A op te treden. Voorts wordt in deze brief aangevoerd dat het belang van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat bij het treffen van een voorziening als gevraagd de speelautomaten in de inrichting kunnen blijven staan.