4. Het standpunt van appellanten
4.1 Appellante sub 1 heeft ter ondersteuning van haar beroep allereerst betoogd dat de TarievenCode weliswaar is vastgesteld door verweerder met inachtneming van een daaraan voorafgaand voorstel van de gezamenlijke regionale netbeheerders zelf, doch deze netbeheerders hebben door noodzaak gedwongen gekozen voor een door hen te innen systeemdienstentarief, omdat appellante sub 1 zelf geen rechtstreekse relatie heeft met de bedrijven en de zes miljoen huishoudens die elektriciteit van het net afnemen. Hierdoor is inning van het systeemdienstentarief door appellante sub 1 praktisch onmogelijk.
Omdat de regionale netbeheerders aldus kosten maken ten behoeve van appellante sub 1, is zij er bij het voorstel aan verweerder van uitgegaan dat zij in haar tarieven een opslag zou mogen verwerken, waaruit zij een marktconforme vergoeding van de kosten van de regionale netbeheerders voor het innen van het systeemdienstentarief zou kunnen betalen.
Voorts heeft appellante sub 1 betoogd dat verweerder DTe in zijn primaire besluit een geheel andere argumentatie heeft gebezigd om de incassokosten niet in de tarieven van appellante sub 1 toe te laten, dan de argumentatie die in de beslissing op bezwaar is gevolgd. Weliswaar luidt de conclusie hetzelfde, namelijk dat de incassokosten zouden behoren tot het normale ondernemingsrisico van appellante sub 1, doch verweerder heeft in het besluit op bezwaar een geheel nieuw betoog ontwikkeld. Het is echter niet duidelijk wat verweerder bedoelt met zijn verwijzing naar "het normale ondernemingsrisico". Hiermee neemt verweerder voor zijn rekening dat het redelijk en marktconform is dat appellante sub 1 kosten maakt, waarvan vaststaat dat zij die niet vergoed kan krijgen. Een dergelijke opvatting is economisch onhoudbaar. Verweerder onderbouwt zijn opvatting met de onder randnummers 36 en 43 van het bestreden besluit aangedragen stelling, dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om kosten die tot het normale ondernemingsrisico behoren, te houden uit de exogeen bepaalde kosten die tot een opwaartse bijstelling, als bedoeld in artikel IV, derde lid, aanhef en onder c, van de Wijzigingswet zouden kunnen leiden. Zelfs indien dit de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest, is daarmee nog niet de vraag beantwoord wat verweerder in dit verband als het relevante ondernemingsrisico ziet dat voor rekening van appellante sub 1 zou moeten blijven.
De kosten van een praktisch gesproken noodzakelijke uitbesteding door appellante sub 1 van de incasso van het systeemdienstentarief, hetgeen ook verweerder erkent, is verworden tot ondernemingsrisico, doordat hij het appellante sub 1 niet toestaat deze kosten in haar tarieven te verdisconteren. Het gezichtspunt van het "ondernemingsrisico" biedt dan ook geen houvast. De toepassing die verweerder aan dit gezichtspunt geeft, zou betekenen dat in het geheel geen bedrijfsvoeringskosten in de tarieven mogen worden verdisconteerd.
Ter zitting heeft appellante sub 1, samengevat weergegeven, aan het vorenstaande toegevoegd dat verweerder in zijn verweerschrift, ten opzichte van de beslissing op bezwaar, een geheel andere argumentatie heeft gebezigd. Pas in zijn verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat in de transporttarieven 2000 een component is opgenomen ter dekking van het incassorisico, die mede strekt ter dekking van het aan het systeemtarief toe te rekenen incassorisico. Deze motivering is echter onverenigbaar met de in het bestreden besluit gebezigde motivering.
Immers, indien verweerder thans van mening is dat de netbeheerders de kosten voor incasso van het systeemdienstentarief al in de transporttarieven vergoed krijgen, is er aldus voor de overige netbeheerders geen grond om van appellante sub 1 te verlangen dat zij hun een incassokostenvergoeding betaalt. Ook kan niet meer staande worden gehouden, zoals verweerder nog in het bestreden besluit onder randnummers 39 en 42 heeft overwogen, dat het marktconform zou zijn dat appellante de regionale netbeheerders een incassokostenvergoeding zou betalen. Mocht de door verweerder in zijn verweerschrift gebezigde motivering juist zijn, dan lijkt het geschil voor appellante sub 1, naar zij stelt, te zijn afgedaan.
4.2 Appellante sub 2 heeft ter ondersteuning van haar beroep allereerst betoogd dat, op grond van haar doelstellingen en blijkens haar feitelijke werkzaamheden, t.w. de behartiging van de gezamenlijke belangen van de bij haar aangesloten leden en de daaraan gerelateerde dienstverlening, haar belang rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken is. Haar belang is met name gelegen in het verkrijgen van een vergoeding in het systeemdienstentarief van appellante sub 1 voor het incasseren van het systeemdienstentarief door de regionale elektriciteitsnetbeheerders ten behoeve van appellante sub 1, alsmede voor het overnemen van het debiteurenrisico.
Hierdoor is appellante sub 1 in staat aan haar leden een vergoeding te verstrekken voor de, overeenkomstig artikel 4.5.2 van de TarievenCode, door de regionale elektriciteitsnetbeheerders in deze ten behoeve van appellante sub 1 uit te voeren werkzaamheden. Het belang is des te meer aanwezig, omdat appellante sub 1 de regionale elektriciteitsnetbeheerders heeft laten weten dat, indien haar niet wordt toegestaan bedoelde vergoeding in het systeemdienstentarief mee te nemen het voor haar onmogelijk is om deze vergoeding te betalen en appellante sub 1 dit derhalve zal weigeren.
Appellante sub 2 kan zich niet verenigen met het door verweerder vastgestelde systeemdienstentarief, omdat daarin niet is begrepen een vergoeding voor het incasseren van dat tarief. Ten onrechte staat verweerder op het standpunt dat de systeemdiensten en de transportdienst onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Voorts is verweerder ten onrechte van oordeel dat - zou appellante sub 1 zelf de werkzaamheden verrichten, verbonden aan het factureren en innen van het systeemdienstentarief, en zelf het debiteurenrisico lopen voor daaruit voortvloeiende oninbare posten - daarvoor dan geen vergoeding in haar tarieven zou kunnen worden opgenomen. Die kosten worden ten onrechte door verweerder aangemerkt als een normaal ondernemersrisico, waardoor zij niet vallen in de categorie kosten als bedoeld in artikel IV, derde lid, van de Wijzigingswet. Verweerder miskent hiermee dat het verzorgen van systeemdiensten de exclusieve wettelijke taak en bevoegdheid van appellante sub 1 is en dat de afnemers, niet zijnde de netbeheerders, deze diensten van appellante sub 1 afnemen en terzake een vergoeding aan appellante sub 1 verschuldigd zijn. Indien de regionale netbeheerders bedoelde vergoeding voor appellante sub 1 bij hun aangeslotenen incasseren, moeten zij het systeemdienstentarief apart factureren. Zij kunnen het systeemdienstentarief niet in hun transporttarieven verwerken. Het incasseren van het systeemdienstentarief voor appellante sub 1 door de regionale netbeheerders brengt derhalve extra kosten voor de regionale netbeheerders met zich mee. Normaal gesproken, zal een partij het debiteurenrisico dat een andere partij loopt alleen overnemen, indien zij daarvoor een adequate vergoeding ontvangt.
Verweerder stelt dan wel dat de kosten van het incasso net als in het overige bedrijfsleven een normaal ondernemersrisico zijn, maar hij heeft geen argumenten aangedragen waaruit blijkt, waarom het incassorisico niet, en andere normale ondernemingsrisico's wel tot de kostprijs mogen worden gerekend.