5. De beoordeling
5.1 Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de projecten OLS, RAFAEL, ROM en STAD kan niet ter ondersteuning van het beroep strekken, nu appellante bij haar bezwaarschrift van 3 december 1998 heeft medegedeeld dat geen bezwaar wordt gemaakt tegen de afwijzing van deze projecten en dat deze projecten zijn vervallen. Hetgeen appellante na het verstrijken van de bezwaartermijn bij brief van 14 december 1998 omtrent deze projecten aan verweerder heeft bericht, doet niet af aan deze mededeling bij haar bezwaarschrift.
Het College zal derhalve hetgeen partijen met betrekking tot de vier genoemde projecten over en weer hebben gesteld, buiten beoordeling laten.
5.2 Partijen zijn verdeeld over de vraag of de werkzaamheden van appellante, als door haar omschreven, direct en uitsluitend zijn gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek, als bedoeld in artikel 1, lid 1, van de WVA.
Verweerder meent van niet en heeft bij het bestreden besluit met name als maatstaf gehanteerd dat van bedoeld technisch-wetenschappelijk onderzoek eerst kan worden gesproken indien de werkzaamheden zijn gericht op de verwerving van technische nieuwe kennis die mogelijk praktische toepassingen in nieuwe fysieke producten of productieprocessen zou kunnen vinden.
Naar het College eerder heeft overwogen, is bedoelde maatstaf in overeenstemming met hetgeen de wetgever met technisch-wetenschappelijk onderzoek heeft bedoeld (zie onder meer uitspraken van 22 oktober 1996, no. 95/1586/062/231, Stork Screens, en 17 augustus 1999, 97/1103, Rijksuniversiteit Leiden). De door verweerder ter zitting gegeven toelichting dat er een direct verband dient te bestaan tussen zodanig onderzoek en bedoelde mogelijke toepassing, begrijpt het College aldus dat indien de aldus verworven kennis bij praktische toepassing leidt tot een technisch nieuw fysiek product(ieproces), die nieuwe techniek het directe gevolg is van en mogelijk is geworden door de aldus verworven technische kennis.
5.3 Hetgeen appellante heeft aangevoerd, kan niet tot het oordeel leiden dat verweerder met hantering van bedoelde maatstaf haar werkzaamheden had moeten aanmerken als direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek.
Hiertoe overweegt het College dat de werkzaamheden in het project RLD, naar appellante heeft omschreven, hun neerslag vinden in een model waarin geluidsniveaus die rond vliegvelden worden gemeten, kunnen worden vertaald naar ervaren geluidsoverlast, op basis waarvan op beleidsniveau maatregelen tegen geluidsoverlast kunnen worden geformuleerd. Dit wijst op zich zelf niet in de richting van werkzaamheden die direct en uitsluitend zijn gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek. Dat de beoogde technische kennis ter opstelling van bedoelde modellen, vereist is om vast te stellen welke geluidwerende maatregelen wenselijk zijn, betekent nog niet dat met deze kennis zodanige maatregelen ook technisch gerealiseerd zouden kunnen worden. Uit de door appellante gegeven omschrijving en toelichting valt ook niet te concluderen dat zij zelf de kennis beoogd te verwerven om die technische realisatie mogelijk te maken.
Aangaande ROLEPLAY overweegt het College dat dit project, blijkens de omschrijving in de aanvraag, als uiteindelijk doel heeft de ontwikkeling van nieuwe onderzoeksmodellen, welke doelstelling op zich zelf geen aanwijzing vormt dat deze werkzaamheden direct en uitsluitend zijn gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek.
Voorts heeft appellante op verweerders vragen bij haar brief van 29 september 2000 geen gegevens verschaft ter beantwoording van de vraag of haar werkzaamheden in het project ROLEPLAY gericht zijn op de verwerving van technische nieuwe kennis als hiervoor bedoeld. Voor de verschaffing van zodanige gegevens was voor appellante temeer aanleiding na de uitspraak van het College van 8 juni 2000, waarin is overwogen dat op dat punt de eisen van een zorgvuldige voorbereiding waren miskend.
Dat verweerder aldus toetsend aan bedoelde maatstaf, bij het bestreden besluit is gebleven bij zijn afwijzing van genoemde projecten, getuigt naar het oordeel van het College niet van willekeur. De desbetreffende, ter zitting ontwikkelde grief van appellante treft derhalve geen doel.
5.4 Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij fundamenteel wetenschappelijk onderzoek verricht, waarvan niet onmiddellijk een toepassing is te noemen, en heeft verweerder verweten voorbij te gaan aan het aspect "fundamenteel".
Voor zover appellante hiermee heeft willen bestrijden dat technisch-wetenschappelijk onderzoek gericht moet zijn op een werkingsprincipe van een bepaald product of productieproces en terstond met de beoogde technische verbetering daarvan een direct verband moet hebben, kan het College appellante hierin volgen. Immers, gelijk het College eerder heeft overwogen heeft de wetgever in de definitie van speur- en ontwikkelingswerk onderscheid gemaakt tussen onderzoek en ontwikkeling.
Met dit onderscheid en de nadere begrenzingen van beide begrippen is niet verenigbaar dat werkzaamheden die in het teken staan van de ontwikkeling van bepaalde producten of productieprocessen, tevens worden aangemerkt als direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek in de zin van bedoelde begripsbepaling (vergelijk onder meer uitspraken van het College van 22 oktober 1996, 95/1586/062/231, Stork Screens, en van 15 december 1998, 97/314, Bureau Meeuws, en 97/413, Etko).
De door verweerder aangehaalde overwegingen in de uitspraak van 11 januari 2000, 97/1254, Nicolai, wijzen niet in een andere richting, nu die overwegingen de vraag betreffen of de, in die zaak aan de orde zijnde, ontwikkeling van modellen van ruimtelijke ordening gericht is op het in technisch opzicht vernieuwen van steden- en wegenbouw, zijnde productieprocessen.
Appellantes betoog over het fundamentele karakter van haar onderzoek kan haar echter niet baten. De wettelijke term technisch-wetenschappelijk onderzoek bevat niet het woord "fundamenteel". Ook overigens valt niet in te zien dat de door appellante gewenste kwalificering van haar werkzaamheden als fundamenteel onderzoek, zou maken dat toetsing aan de hiervoor bedoelde maatstaf anders zou uitvallen dan in paragraaf 5.3 overwogen.
5.5 De slotsom is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.